Historische fruitteelt: ”Als ze daar aan het zingen waren, dan kon je meezingen, dat hoorde bij die tijd.”

Verhaal de heer L.

Geboren en getogen in het Betuwse Varik beheerde de heer L. samen met zijn broer een fruitbedrijf. Het bedrijf dat ze van hun vader hadden overgenomen, bestond destijds uit vier ha grond en nog wat pachtgrond. In de loop der jaren werd het bedrijf uitgebouwd naar 27 ha grond dat ze zelf ontwikkeld en gespecialiseerd hebben. Sinds de tijd van Napoleon is de familie L. al in het fruit. Hij woont naast het ouderlijk huis waar zijn broer woont. De inmiddels gepensioneerde heer L. vertelt over de hoogstamfruitjaren.

Tekst Elfriede Arriëns

“Mijn vader had in 1943 een hoogstamboomgaard van een oom geërfd, ja een hoogstamboomgaard. Zelf was hij mandenmaker maar dat heb ik nooit meegemaakt, want dat was voor de oorlog al min of meer voorbij.”

Als kind al meegewerkt
“In 1945 werd ik tien, maar ik heb in de oorlogsjaren aardbeien geplukt en ander werk gedaan. Ik heb eerst drie jaar HBS gedaan. Om 08.15 uur fietste ik naar de school in Tiel, maar in de aardbeientijd stond ik om 04.30 uur op om aardbeien te plukken. Ook maakte ik mijn huiswerk vooruit zodat ik woensdagmiddag mee kon werken. Ik had de intentie in het bedrijf te komen. We hadden aardbeien in de volle grond maar ook aardbeien onder platglas. Dan ging je op de rand van de bak zitten plukken en dat was natuurlijk een belasting voor je rug maar ach, je was jong en als je dan weer overeind kwam was de pijn weg.
Je moet het ook in het licht van die tijd zien. Mijn ouders hadden twaalf kinderen en ik was de vierde, maar wij bespaarden mijn vader toch personeel. Er was geen keus, moest je dan toekijken en armoe lijden?”

Snoeien
“… Het snoeien, is een andere grote bottleneck; eigenlijk nog meer in de moderne fruitteelt dan destijds in het hoogstamtijdperk. Het komt er op neer dat de winter vaak nog een drukkere periode was dan de zomer. In de zomer heb je gewoon de verzorging van de boomgaarden, maaien, spuiten, dunnen en dergelijke en dan heb je nog wel eens een adempauze maar dat heb je in de winter eigenlijk nooit want de grens is dat in het voorjaar als de bomen uit gaan lopen, het snoeien klaar moet zijn. En als het dan druk is, moet het fruit weg zijn. Soms heb je een goede winter om buiten te werken, soms ook niet, alhoewel we daar geen rekening mee hielden.”

“Ik ben er wel van overtuigd dat de manier waarop men tegenwoordig met hoogstammen omgaat, dat die niet de goede manier is. De mensen snoeien niet op de plek waar gesnoeid moet worden, ze snoeien op de plek waar ze bij kunnen. Wij snoeiden met de ladder de boom rond. Iedere boom, of het nou een fruitboom of een naaldboom, iedere boom groeit bovenin het hardst. Als je een hoogstam alleen onderaan snoeit, dan ga je hem omhoog dringen, je moet het bovenaan regelen. En dat is bij hoogstammen zo, peren erger dan appels maar ook bij modern fruit is dat zo.”

“In de hoogstamboomgaard moest je de leer toch wel vijf, zes keer verzetten om rond te komen. Zelfs als je alleen met de zaag snoeit, ga je op den duur de verkeerde snoei krijgen. Als je met een stokzaag gaat snoeien, ga je de details missen, om het probleem heen snoeien, je gaat takken zagen en waar het uitgedund moet worden kun je niet bij. De basis van het snoeien heb ik wel op de Fruitvakschool geleerd, maar het fijne van het vak moet jezelf aanleren. Goed kijken wat het effect is van de snoei. Je kunt het jaar erop oordelen of dat je vorig jaar goed gesnoeid hebt, dat kun je nog corrigeren. Op den duur ga je dat verfijnen. Je leert met de boom omgaan, je krijgt zo’n routine met snoeien dat je gewoon de boom kunt snoeien zonder dat je hem eerst goed aan gekeken hebt. Als je pas begint met snoeien moet je het effect van ieder takje dat je afknipt, beoordelen.”

Bewaarmethode en afzet appel omstreeks 1940
“Op het erf stond een fruitschuur van ongeveer zes bij acht meter en daarin werden appels bewaard. En dan niet in kisten maar los. In het midden van de schuur stonden twee palen waaraan latten waren gemaakt waar planken in geschoven werden, zo ontstonden er zes vakken van 1.20 meter hoog. De appels liepen natuurlijk wel een behoorlijk risico voor rot en bederving, want ze werden niet gekoeld en een appel geeft van zichzelf veel warmte af, de appel zweet hard met alle gevolgen voor de houdbaarheid. Er waren aparte vakken voor Keuleman, Brabantse Bellefleur en zo werden ze bewaard. Mijn vader vertelde over een hamper, dat was een rechte gevlochten mand van zo’n meter hoog waarin de appel viel. Dat werd afgesloten met een gevlochten deksel er op. Ernaast was er een zogenaamde kopmand en die liep taps toe, en leeg waren die eenvoudig te stapelen. De kopmand had geen deksel maar over de kop appels die er bovenuit stak werd een doek gelegd. En zo werd de appel afgezet hier in de haven van Varik, nou ja, meer een aanlegplaats voor schepen. Het fruit werd het schip ingedragen. Maar niet alleen per schip maar via het spoor werden appels vervoerd. Door de wijze van bewaren in de vakken waren er ook rotte appels bij. Maar daar hadden ze het volgende op gevonden. Het verhaal ging dat in een ander fust, een grof geweven jute zak, ook appels werden afgezet waarbij gebruik werd gemaakt van een kachelpijp. Eerst werden er een paar goede appels onderin de zak gelegd, dan werd de kachelpijp in de zak geplaatst waar om heen ook goede appels werden gedaan. Vervolgens werd de pijp gevuld met de mindere appels. Het zal zeker gebeurd zijn maar op welke schaal is niet bekend.”

Kersen
“Je hebt hier de meikersen, die werden het meest geëxporteerd, verder de Varikse Zwarte, de Vroeg Duitse, dat was een eerste ras, de Kleine Zwarte of wel de Basterd Dikke zoals die hier wordt genoemd, de Beierlander, en dan de Hedelfinger Riesenkirsche maar dat was sporadisch. De Wijnkers trouwens ook, maar die had de vervelende eigenschap dat die niet door elk ander ras bestoven kon worden, die had een aparte bestuiver nodig, namelijk de Inspecteur Löhniss. De andere rassen konden elkaar bestuiven: kruisbestuiven.
Het lag aan de eigenaar wat er in een boomgaard geplant werd, meestal werden er rassen door elkaar geplant om ook wat spreiding te krijgen. Dan kun je met minder plukkers langer plukken en dan duurde de kersentijd in plaats van drie weken, wel zes weken en dan heb je meer kans dat er een goede periode met een goede prijs zit. Wijn- of meikers was een hoofdras hier.
Het fust waarin de kersen verhandeld werden heette bushels. Dat waren ronde mandjes. De kersen gingen in kwart bushels, verder had je halve bushels en een hele bushels, maar die heb ik nooit gezien want die werden in het fruit niet gebruikt. Tijdens de pluk maak je gebruik van een hoenderik.”

Kersen voor de export
“Het pachten hier is de laatste 150 jaar heel sterk verbonden aan de teelt van fruit in het algemeen: kersen, appels en peren. De manier van telen, hoe dat was en de manier van afzetten. In het begin tot aan de Tweede Wereldoorlog was de teelt van kersen hier belangrijker dan de teelt van appels. Hoe dat verder in de Betuwe was dat weet ik niet maar schijnbaar was dit een goede streek voor kersen. Mijn overgrootvader rond 1850, 1860 was een fruithandelaar. Ik weet niet of hij ook zelf fruit pachtte maar hij was ook een soort commissionair. Iedere nacht ging hij met kersen met paard en wagen naar Gorkum en dan gingen ze op de boot naar Rotterdam en daarvandaan gingen de kersen naar Engeland voor de export. In die tijd, was het een hele reis voor kersen. En doordat het nog behoorlijk lang duurde werden die kersen halfrijp geplukt. Gewone rijpe kersen zijn donkerrood, bruin of zwart maar die kersen, die roze gekleurd waren, werden geplukt zoals tegenwoordig bij wijze van spreken ook de nectarines en perziken onrijp geplukt worden, en die dan eigenlijk ook niet smaken. Zo zullen die kersen ook niet zo lekker geweest zijn. Die kersen werden dus halfrijp geplukt dat was een heel groot werk dat veel werkgelegenheid bracht. Mijn vader zei dat als het een goed kersenjaar was en de prijzen niet te gek waren, het hele dorp ‘er goed mee was’. Iedereen werkte aan die kersen; er waren verschrikkelijk veel kersenboomgaarden. De vrouwen sorteerden en de kinderen keerden. De boerenknechts kregen ook gelegenheid kersen te plukken omdat het voorjaarswerk bij de boer klaar was en de boer was ze liever kwijt dan rijk op dat moment. Iedereen profiteerde van de kersen. Er waren grote boomgaarden, dat waren vaak boomgaarden van grootgrondbezitters, eigenlijk een te groot woord, maar mensen die hectaren grond hadden die plantten kersen en die werden dan ook verpacht. Van zowel appels als kersen was het zo dat de eigenaren van boomgaarden ze zelf niet exploiteerden, ze hadden ze in het bezit, maar een ander kwam ze plukken en afzetten. Er waren heel veel kleine particuliere agrariërs die zelf ook kersen hadden. Wij hadden zelf ook een kersenboomgaard van 30 are maar dat is niet zoveel.”

Kersenpluk vroeger
“Vroeger, maar dat heb ik zelf niet meegemaakt, stelde de baas of de eigenaar een zogeheten ‘voorplukker’ aan. Dat was iemand die goed kon plukken en die aangaf hoe snel de anderen moesten plukken. Als de voorplukker zijn hoenderik vol had riep hij: ‘onder!’. Dan klom je van de ladder af en ging naar de ‘dis’. In de hoenderik zat een rand die ‘Jan’ werd genoemd. Als je ‘boven Jan’ zat, dan zat je goed. Het kwam wel eens voor dat je ‘onder Jan’ zat maar het kon toch ook niet zo zijn dat je dagen te weinig plukte. Je krijgt toch een competitie.
In de tijd vóór de Eerste Wereldoorlog en misschien ook wel er na, werd er ook zo gehandeld. Er werd ook gezegd dat de plukkers, als ze bij de dis kwamen, een borrel kregen maar dat kan ik me bijna niet voorstellen want als je dus vijftien keer een hoenderik volplukt en elke keer een borrel krijgt, dan kun je niet veel meer plukken denk ik.
Toch is er wel een tijd geweest dat er overal een borrel aan te pas kwam. Dat heb ik gehoord uit verhalen uit die tijd dat als men aan het dorsen was of er werden aardappelen gerooid, overal kwam wel een borrel aan te pas. We kunnen het ons niet meer voorstellen dat er tijdens het werk gedronken werd maar het was een moeilijke tijd en mensen vluchten in de alcohol. Het was destijds een groot probleem. Mijn vader die geen drinker was, vertelde dat toen hij nog een kind was, dat vaak om zich heen had gezien en gedacht: ‘Dat is toch niet nodig, daar kun je beter brood voor kopen, je moet er toch buiten kunnen’. Maar het was een andere tijd, in die tijd als de buurt ‘s avonds bij elkaar om de kachel zat ging het van: ‘laten we een maatje lappen’. Een maatje is een inhoudsmaat, dan leggen we een paar stuivers bij elkaar er dan ging er één naar de kastelein om een maatje jenever te halen.
Het is niet altijd zo dat iedere boom even makkelijk plukt. Kijk, een kersenboom is een zaailing, iedere boom heeft genetisch bepaalde andere eigenschappen die kunnen zich voordoen in groeikracht, dus dat de boom groter wordt. Het kan ook gebeuren dat ie vruchtbaarder is of dat er grotere vruchten aankomen en dan ben je makkelijker aan ‘de Jan’. Dergelijke verschillen zijn er, er zijn altijd bomen die ieder jaar weer slechter dragen en dan worden dat grotere bomen want die hebben dan de macht om te groeien. Hoe vruchtbaarder de boom, hoe kleiner die blijft, en hoe kleiner de boom blijft, hoe vruchtbaarder die wordt.”

Zingen in de kersenboomgaard
“Ik heb zelf ook kersen geplukt en dat is gezelliger, veel gemoedelijker dan appel plukken. In een kersenboomgaard stond je niet te ver van elkaar om te praten en er werd veel meer gezongen in de boomgaard dan vroeger. Waar wij de boomgaard hadden, kon je vier à vijf perceeltjes kersen beroepen. Als ze daar aan het zingen waren, dan kon je meezingen, dat hoorde bij die tijd. Dat komt omdat de appelpluk veel heftiger was, er stond meer druk op. Dat zat hem niet in het verschil tussen kersen en appels, de tijd was ook anders. Je nam meer tijd om een praatje te maken met elkaar. Ik heb in die tijd veel gezongen in de boomgaard vooral liedjes als: ‘Aan het strand stil en verlaten’, ‘Zeeman, o zeeman’, ‘Als de klok van Arnemuiden’. De tegenwoordige smartlappen, dat waren toen heel gewone liedjes om te zingen. Ik zou ze wel kunnen zingen maar ik ben nooit zo’n zanger geweest in de boomgaard maar er waren er bij, die konden dat geweldig. De sfeer was heel anders, veel rustiger en dat kun je je wel voorstellen als je een half uur of drie kwartier op de ladder stond voordat je naar de dis hoefde.”

Kersenpluk na de oorlog
“Het was veel armer in die tijd en dan spreek ik over de eerste twintig jaar na de oorlog, er was veel meer tijd voor een praatje. Zelf heb ik veel kersen geplukt. Wij plukten met een aantal mannen of jongens en ondanks dat er geen voorplukker meer was ontstaat er toch een bepaalde competitie. Je wilt toch presteren, beter plukken dan een ander. Als je de hoenderik vol had, kwam je zelf uit de boom, je werd niet meer geroepen. Maar je hield elkaar wel in de gaten, dan was het zo: ‘hij is er nog niet’, of ‘hij is al weg of alweer terug’. De sfeer moet goed zijn, het moet geen vliegen afvangen zijn. Er moest altijd iemand in de boomgaard blijven, tussen ‘s morgens 06.00 en ‘s avonds 20.00 uur want dan had je de spreeuwen. Voor diegene die achterbleef werd eten gebracht, want het was ‘spreeuwen keren’. Het kleinste kind moest spreeuwen keren en dan als de anderen terugkeerden namen ze een prakkie eten voor je mee. Je was als spreeuwenkeerder meer in touw als diegenen die plukten want ook in de tijd dat de ander ‘s morgens om 09.00 uur brood zat te eten of tussen de middag thuis ging eten, bleef je die tijd als keerder in de boomgaard. Dat was je tot een bepaalde leeftijd, zo gauw je mee kon plukken was er wel weer een jonger kind die spreeuwen moest keren; dat was zo.”

De onvrijwillige afdaling
“De zomer van 1959 was een heel droge zomer, de ladders werden zo droog dat ze bros waren geworden. We waren aan het peren plukken en ik droeg een schort peren van zo’n 20 kilo. Ik reik naar binnen om een peer te pakken toen ineens beide strengen van de ladder braken. De ladder viel naar de boom toe en ik sloeg achterover buiten de boom langs. De meters die je overbrugt om naar beneden te komen duurde heel lang. Halverwege, ik moest toen nog een meter of drie zat er een tak die ik probeerde te grijpen en toen dat mislukte dacht ik nog eer ik de grond raakte: ‘Dit kan nooit goed aflopen’. Ik was niet bang maar constateerde op dat moment dat ik de dood in de ogen keek. De boom was zo’n acht meter hoog dus dan ben je toch niet zo lang bezig naar beneden te gaan hé. Door het soortelijke gewicht van de peren draaide ik en kwam met de peren op mijn buikspieren terecht. Mijn vader stond een eindje verder en zag me vallen en hij zei later dat hij helemaal niet geschrokken was want hij zag dat het goed af zou lopen. Ik lag op de grond en het eerste dat ik hoorde was mijn oom die in dezelfde boom als ik aan het plukken was, klep, klep, klep van de ladder komen. Ondanks dat de grond hard en droog was, had ik helemaal niets. Ja, de peren tot moes geplet maar ik had niks en heb er ook niets aan overgehouden. Ik heb gewoon geluk gehad.
Bang om opnieuw de boom in gaan was ik niet, hoogtevrees heb ik altijd gehad maar niet in de boom. Op een dak kan ik niet wezen. Als ik weet dat de ladder goed is, heb ik nergens last van want ik heb nog op een leer gestaan die niet door mijzelf was gezet.”

“De reden dat je met klompen op de ladder stond was dat je grip op de sport had en je voeten niet teveel doorzakten. Onder de klomp zit een uitholling, daar ga je op staan, je moest natuurlijk geen versleten klompen dragen. Zou je op schoenen of laarzen de boom in gaan, dan krulden je schoenen om de sport en mede door het gewicht van het fruit zak je teveel door je voeten. Vooral tijdens de kersenpluk stond je zo’n half uur à drie kwartier op één sport. Het plukken begon tegen 05.00 uur in de morgen en duurde tot 18.00 uur ’s avonds.”

“Het lijkt misschien naar de tijd van nu gerekend, een harde tijd, maar ik heb altijd met heel veel plezier gewerkt in het fruit. Ook mijn vrouw heeft, naast de zorg voor het gezin en huishouden, meegewerkt, zodat onze kinderen, die nu zelf kinderen hebben, zich vaak afvragen hoe zij dat toch allemaal regelde. Maar dat bracht de tijd nu eenmaal met zich mee. Ik kan terugkijken op een mooie tijd.”

Kijk ook eens op: