Historische fruitteelt: ”Als mijn vrouw boven aan het werk was, hoorde ze door het open raam de mannen in de kersenbomen zingen.”

Verhaal de heer N. (geb. 1922)

Als klein kind wist M.N. zeker dat hij later geen boer zou worden. Hij zag hoe hard zijn vader moest werken en hoe weinig geld ze thuis hadden. Maar toen hij verkering kreeg met een boerendochter in zijn woonplaats Ravenswaaij, gebeurde het onvermijdelijke. M. werd boer, tegen wil en dank. Hij trouwde in ’45 en kocht het land en de opstallen van zijn schoonouders. Opeens was hij de eigenaar van een boerderij met veeschuur, 25 melkkoeien en 28 bunder land, deels weiland, deels boomgaard. Zijn broers krabden zich achter hun oren. Zou hij het wel redden? Maar na de magere jaren ’30 en de stilstand in de oorlog braken gouden tijden aan voor de handel in fruit. Nico had de wind in de zeilen. Hij stortte zich vol overgave op zijn gemengde bedrijf en ging in de avonduren op cursus om het vak te leren. Op een doordeweekse dag schuif ik aan tafel bij M.N., in zijn boerderij in Ravenswaaij waar de tekst ‘S.’ op de gevel prijkt. De boerderij draagt dezelfde naam als het omliggende gebied. Nico is geboren in 1922, maar zijn leeftijd van 87 jaar is hem niet aan te zien. Hij rijdt nog volop auto, e-mailt met zijn zus en dochters via zijn laptop en surft op internet als hem dat uitkomt. Door de ramen kijk je uit op het veld waar vroeger de hoogstambomen stonden en de koeien graasden. Zijn bestaan als boer heeft M. vaarwel gezegd. Hij heeft zijn bomen gerooid en zijn land verpacht. Samen blikken we terug op zijn verleden.

Tekst Tine Aarsen

M.N. vertelt: “De hoogstamboomgaard werd in 1922 ingeplant. Ik heb de man nog goed gekend die erop gezeten heeft. Maar hij ging failliet. Tegenwoordig heb je struiken, die hebben na een jaar een appeltje, weet je wel. Maar met zo’n hoogstam moest je tien tot vijftien jaar wachten voordat het een volwassen boom was, waar je wat aan kon verdienen. Die man redde het niet, hij moest het huis en de boomgaard verkopen. Toen wij er later op kwamen, waren de bomen volop in productie.”
“De pruimen kwamen eerst in het seizoen. De pruimenbomen stonden om de bongerds heen. Ze hielden de wind tegen. En ze droegen snel vruchten, dan kon je al gauw een paar centen beuren. Daarna volgden de kersen. En dan de peren, eerst de vroege peren, daarna de stoofperen. Tot slot de appels. Eerst de Bloemee, een zoete appel. En dan zat je uiteindelijk aan de Goudreinetten, weet je wel, want die moesten er toch voor november af zijn. We plukten in één seizoen tussen de zesduizend en zevenduizend kisten fruit van twintig kilo.”
“Als de Goudreinetten hier in bloei stonden in het voorjaar, dan stonden er verscheidene auto’s stil, hoor, om te kijken. Die hoogstambomen waren veel mooier om te zien dan de struiken. In het voorjaar keek ik vooruit, of de bomen aansloegen, of ze vol hingen. En dan was het tijd om schoren te zetten. We kochten een hele vracht schoren bij de boomkwekers aan de overkant van de Lek. Die snoeiden de sparren en bewaarden de takken voor de fruittelers. De schoren zetten we onder de takken die vol hingen met fruit, die het ergste doorbogen, zodat ze niet zouden afscheuren. Dat was een heel werk, hoor, om dat er precies onder te zetten. Toen had ik ook al lang een vaste knecht, want ik kon het alleen niet meer aan, natuurlijk.”
“In de drukke tijd van de fruitteelt hadden we zeven of acht plukkers, dat waren allemaal mensen die twee of drie koeien hadden en die verdienden er wat bij. Die mensen waren blij dat ze een paar centen konden verdienen, want van twee of drie koeien kon je ook niet leven. Dat was een mooie tijd. In de kersen was het toch gezelliger dan in de appels of peren. Als mijn vrouw boven aan het werk was, hoorde ze door het open raam de mannen in de kersenbomen zingen. Ze stond dan even stil, om te luisteren hoe mooi er gezongen werd. In de appels was dat weer anders. Daar waren ook meer oudere mensen in. In de kersenbogerd stonden hele hoge bomen, daar waren meer jonge mensen in, die dat beter aandurfden.”
“Het was een mooie tijd onder elkaar. We haalden ook wel eens grappen uit. Er was een kersenkeerder die de spreeuwen moest verjagen. Die was van ’s morgens zessen tot ’s avonds achten in de bogerd. Hij had brood bij zich, en hij kookte wel eens melk, op zo’n gasstelletje. Toen hij even niet oplette, strooiden we gist in zijn melk, dus die melk bleef maar overstromen, die man snapte er niks van. Ze zeggen wel eens, een keerder moet niet te veel verstand hebben, hè, anders doet ‘ie dit werk niet. Daarom kreeg hij ook niet het geweer in de hand. Ik schoot zelf de spreeuwen uit de lucht. Als er onweer kwam, dan bleven de spreeuwen komen. Ze vlogen van de ene plek naar de andere. Dan vielen er een hoop dooien. We hadden zo’n oud manneke, die nam de spreeuwen mee naar huis en die braadde ze. Gadverdamme. Hij vond ze lekker, wij vonden het maar niks. Het was een leuke tijd in de kersen. Als er een dubbele kers gevonden werd, dan werd er door mij getrakteerd op een fles jenever. Dat was snel geregeld, want de kastelein die plukte hier ook mee.”
“In de beginjaren had ik een paard met wagen, om het fruit uit de boomgaard te rijden. Toen ik trouwde, was er maar een enkeling, die een trekker had. Je moest het ook kunnen betalen, weet je wel. Toen ik een jaar enorm goed gedraaid had, heb ik nieuwe spullen gekocht. Toen ging het paard er weer uit en heb ik een trekker gekocht. Ik was het eerst helemaal niet van plan, hoor. Ik zei tegen mijn boekhouder, ik wil nu mijn schuld aflossen. Het was rond 1960. Dat jaar was al het fruit in Duitsland bevroren. Ook in Zeeland was het fruit verloren gegaan. En wij zaten vol met fruit. Toen hebben we goed gedraaid. Mijn boekhouder zei, je mag wel een gedeelte van je schuld aflossen, maar koop nou eens nieuwe spullen, je hebt allemaal oude troep. Toen heb ik een nieuwe trekker gekocht, een spuit en een cirkelmaaier. Dat was toen 35.000 gulden, voor die tijd een hoop geld.”
“Het fruit was dat jaar heel duur. We werden gek gebeld door Veluco, de jam- en appelmoesfabriek uit Geldermalsen. Ze wilden valappels hebben, want de gewone appels waren veel te duur. Andere jaren lieten we de valappels liggen, maar nu raapten we ze netjes op. Er zaten allemaal van die droge appels bij, weet je wel, met droogrot, harde stukken. De Veluco belde en kwam de valappels zelf ophalen. Ik ben daar toen geweest, de appels werden heel goed gespoeld, maar toen ik thuiskwam zei ik tegen mijn vrouw, ik eet nooit geen appelmoes meer. Want als ik die appels zag met droogrot erin, alles ging erin. Die stukken waren hard. Als wij appelmoes aten, dan sneden we het eraf. Maar dat jaar ging bij Veluco alles de appelmoes in.”
“Het was hard werken. Ik stond op om 04.15 uur, 04.30 uur om de koeien te melken. Om 06.00 uur moest ik in de bogerd zijn. De kalveren moesten ook nog gevoerd worden, dat deed de vrouw verder. In het begin melkte ik met de hand. Later, toen de machines kwamen, had ik al gauw een melkmachine. We zeiden wel eens tegen elkaar, als we een goed fruitjaar hadden: ‘we gaan de koeien opruimen’. Maar we hebben ook wel een jaar gehad, dat alles verhagelde. Toen zeiden we: ‘Maar goed dat we de koeien hebben’. Toen ik 68 was, heb ik de melkkoeien opgeruimd. Toen hebben we alleen nog jong vee geweid, dat was minder werk. Het fruit nam te veel tijd in beslag. En je wordt een jaartje ouder, he.”
“We hebben jaren een handelaar aan de deur gehad die had een groot koelbedrijf bij Heiloo, Alkmaar, en die kocht al de Goudreinetten hier. Ik klaagde wel eens, verdomme, ik wou dat die vent niet kwam, want dan kwam die ‘s nachts om 01.00 uur met de vrachtwagen laden. Die lui werkten dag en nacht door. Dan moesten er ‘s nachts om 01.00 uur tussen de driehonderd en vierhonderd kisten geladen worden. Maar om 05.00 uur moest M. er weer uit. Kijk, dan heb ik hem wel eens verwenst dat hij kwam. Waarom kom je niet ‘s avonds, weet je wel? Nou, die lui waren zo druk, dat ging niet. En wij waren blij dat we die man hadden, natuurlijk, want we kregen buiten de veiling een redelijke prijs.”
“Er kwamen twee vrachtwagens in het dorp. De een reed naar de veiling in Geldermalsen en de andere vrachtwagen die reed naar de veiling in Utrecht. We gingen liever naar Utrecht toe als naar Geldermalsen, omdat de prijs daar beter was. In Utrecht zaten soms wel honderd kopers bij de veilingklok. Dan drukten ze op een knop als er een partij fruit geveild werd, twintig, dertig cent, en dat ging vlug, met alle kopers bij elkaar. Geldermalsen had toen die tijd maar twintig, dertig kopers, weet je wel. In Utrecht was meer animo. Maar later is Geldermalsen ook groot geworden, hoor. Fruit wordt nu niet meer via de veilingklok verkocht. Alles gaat via internet. Het gaat ook allemaal in het groot. Ik vond het vroeger gezelliger, je kwam meer met mensen in aanraking.”
“Ik weet nog wel, we hadden twee percelen, ik dacht één perceel dat verkoop ik, want ik wou iets minder gaan werken. Ik was toen al boven de zestig. En de zon die scheen zo mooi toen ik naar de verkoping ging. Dat perceel werd verkocht en ik kwam thuis en de hele zaak was verhageld. In één onweersbui. Nou, en die man, ik zie die jongen nog komen, die had het op zicht gekocht, die kon wel huilen, natuurlijk. Maar ik kon er ook niets aan doen, hij moest toch betalen. Het was in deze streek nog nooit voorgekomen dat er hagel kwam. Een oude man uit het dorp zei, je krijgt hier haast nooit hagel, omdat je zo dicht bij de Lek zit. Meestal zitten de buien bij Geldermalsen en zo. Maar toen was het hier flink raak.”
“Toen we 55 jaar oud waren, zijn mijn vrouw en ik voor het eerst op vakantie gegaan. Mijn oudste dochter was toen 15 jaar. Dat was wat, die meid moest die koeien melken, weet je wel. Ik belde elke dag, ik was maar bang dat er wat gebeurde, maar het is gelukkig allemaal goed verlopen. Weet je, ik heb er geen spijt van dat ik boer geworden ben. Het heeft goed gedraaid en we hebben de tijd mee gehad. Maar ik heb er wel spijt van dat we altijd maar moesten werken en werken. Zelfs op zondag had je geen rust, omdat de koeien gemolken moesten worden. Later hebben we wel eens gezegd: ‘wat zijn we toch gek geweest’. Toen mijn vrouw achteruit ging, konden we die tijd niet meer inhalen. Daar heb ik toch een beetje spijt van. Want het leven is zo kort, daar heb je als je jong bent geen erg in, hè.”

Kijk ook eens op: