Leven met water: “Het water stroomt altijd van het land naar de zee.”

Henk Dondergoor (geb. 1933)

Op 23 april 2018, terwijl buiten alle bomen prachtig in bloei staan, rijd ik naar Ratum, waar de familie Dondergoor woont op een boerderij vlak bij de Duitse grens. Ik heb een interview met de 85-jarige heer Henk Dondergoor, over zijn tijd als bestuurslid van het Waterschap van de Berkel, in het kader van het onderzoek naar het historisch waterbeheer in de Achterhoek. Tegenwoordig wordt de boerderij gerund door de zoon van de familie Dondergoor. Ik word vriendelijk ontvangen en we installeren ons in de kamer. Mevrouw Dondergoor brengt een lekker kopje koffie en een plakje koek met boter, en nadat zij zich met haar koffie en de krant teruggetrokken heeft in de keuken, pakt meneer Dondergoor zijn aantekeningen er bij en beginnen we met het gesprek.

verhaal Anja Geesink, beeld Wim Te Selle

“Ik zat in het Algemeen Bestuur van het Waterschap van de Berkel. Ik had daar geen speciale functie ik was geërfde, zoals ze dat noemen. Ik weet eigenlijk niet waar die term vandaan komt. Dat heette gewoon zo, de hoofd geërfden en de geërfden, die vormden het Algemeen Bestuur van het Waterschap, dat was de kern.

Ik kwam in het Waterschap omdat ik hier boer was. Ik heb niet altijd in het bestuur gezeten, ik ben in 1972 begonnen. Als ik even met een stukje ongebruikelijke geschiedenis mag beginnen. In het Scheppingsverhaal staat: ‘de aarde was bedekt met water en op een gegeven moment werd één deel zee genoemd en het water stroomde daar naar toe.’ En dat is dus altijd op dit moment nog steeds de vaste regel. Het water stroomt van het land naar de zee. En daar gaat het om bij het waterschap.
We hadden niet zo heel veel werk met het Waterschap, we hadden vier vergaderingen per jaar. Het was eigenlijk meer een controlerende taak, net zoals de Gemeenteraad het College van B&W controleert. En soms was het nodig dat je een keer met de schouw mee liep. Zo’n schouw, ja, dan moet ik toch even wat uitweiden over wat dat inhield. Nadat de verbeteringswerken uitgevoerd waren, kregen we te maken met twee soorten watergangen. Er waren hoofdgangen en zogenaamde B-leidingen. En die B-leidingen, die zijn in het kader van de zogenaamde verbeteringswerken aangelegd en onder handen genomen, maar het onderhoud en schoonmaken hiervan bleef voor rekening van de eigenaar / boer waar die leiding in de grond lag. Die leidingen moesten dan per 15 oktober van ieder jaar schoon zijn. Dan werd dus door de technische dienst gecontroleerd of dat gebeurd was. Hetzelfde gold ook voor de dijken waar de aanwonende boeren de schapen mochten weiden. Ja, die moesten ook op een bepaalde datum eraf en de schapen gingen toch vaak op dezelfde plek de dijk op zodat daar een paadje ontstond dat hersteld moest worden. Als dan geconstateerd was dat de leidingen niet schoon waren, of dat het onderhoud van leidingen en dijken niet in overeenstemming was met hetgeen er was afgesproken, dan kreeg de betrokken ingelande, zo heet dat, die kreeg dan een aanmaning om alsnog binnen veertien dagen de zaak in orde te brengen. En als het dan niet gebeurd was, werden twee of drie van de hoofd geërfden aangesteld voor de schouwcommissie, en die moesten dan met de betreffende ambtenaar kijken of het inderdaad nalatigheid was of dat het eigenlijk toch nog door de beugel kon.
Het was natuurlijk verschillend als je in een Waterschap zat waar veel dijken waren, dan was het natuurlijk opletten op de dijken of er mensen waren met boten die altijd op dezelfde plek aan de dijk zaten te morrelen. Nou ja, noem maar op dus. Eigenlijk moesten we alle ongeregeldheden helpen constateren en zien dat het eigenlijk voor een nadere aanmaning in orde kwam.

En hoe dat dan in het verleden ging, voor de verbeteringen? Als dan iemand zijn water niet goed kwijt kon, echt overlast had, die morrelde wat aan een slootje en dan kreeg z’n buurman het water op z’n dak. Dat is dus met het waterschapsgebeuren eerst al wat geprobeerd te stroomlijnen. Toen waren het eigenlijk allemaal kleine gebiedjes, met name bijvoorbeeld in het gebied van het Waterschap van de Berkel. Het is niet dat ik ze allemaal precies weet, maar je had de Baakse Beek, je had een deel Berkel en de Slinge. De Winterswijkse beken vielen onder de Slinge. Zo was er een verhaal van mijn schoonvader, die was bij het Waterschap van de Oude IJssel, die was zogenaamd poldermeester. Wat hield dat in: die was ook geërfde, dus hij zat in het bestuur. Hij moest iets controleren in een bepaald gebied waar drie mensen werkten (het was altijd zo, vroeger ook al, dat ze nooit iemand alleen op pad stuurden). Mijn schoonvader had daar het beheer over het werk dat uitgevoerd werd. Vaak waren het ook mensen die twee of drie keer in de week dat werk deden, en je wist wanneer of die mensen er waren. En toen had hij op zijn fietsje misschien wel een uur gefietst, want hij wilde die mensen daar aan ’t werk zien, en ze waren er niet! Nou ja, wat bleek, ze hadden onderling wat verzet. Dan had hij dat wel graag even willen weten, dan hadden ze hem wel even moeten bellen.
Ik bedoel hier maar mee te zeggen, hoe kleinschalig alles nog geregeld was.

Er was vroeger vaak sprake van wateroverlast. We zitten hier op keileem, en daar kan het water moeilijk door weglopen. Hier bij de buren stond het water soms in de gierkelder. In het dorp in Winterswijk heeft de boel ook wel eens onder water gestaan. Op onze eigen boerderij hebben we daar gelukkig niet zoveel last van gehad. Dus op een gegeven moment kwam de vraag met name uit de landbouw, maar ook in het stedelijk gebied vast niet minder, om daar wat aan te doen. En met name ook in de landbouw als de sloten op een bepaalde diepte waren, dan kon men in elk geval een drainage uitvoeren en zo is het grote verbeteringsplan tot stand gekomen. Ik heb het nu over de Berkel, maar bij de polder Warnsveld was dat ook vaak een heel nare geschiedenis. Daar was de zogenaamde Baakse Overlaat, en dan stond het water tot aan deze kant van Warnsveld. Ja, daar waren de boerderijen dan soms in de winterdag niet eens meer te bereiken. Nou, dat is dus allemaal geregeld en zo zijn systematisch naar het achtergebied jaarlijks de verbeteringswerken met subsidie uitgevoerd. Bij de ruilverkaveling in Ruurlo, daar werden de verbeteringswerken toen ingepland en dat ging allemaal goed tot men Winterswijk naderde. Toen kwam met name de plaatselijke Natuurbeschermingsraad onder leiding van Nicolai, in het geweer en die wilden dus eigenlijk dat het voor Winterswijk ‘stop’ was. Nou ja, Baas, de voorzitter van het Waterschap, de Watergraaf, die moest je niet vertellen om iets te veranderen aan datgene wat we afgesproken hebben. Hij vond dat we door moesten gaan tot het einde en we wilden hier achter in Ratum doorgaan tot aan de grens. Al dan niet in overleg, maar dat moest in elk geval gebeuren, en dat is natuurlijk een hele strijd geweest. Dus eigenlijk, toen ze voor de grens van Winterswijk stonden, toen ben ik in het bestuur gekomen.
En hoe kwam je in het bestuur? Het bestuur bestond uit ‘gebouwd’ (stedelijk) en ‘bebouwd’ (landbouw), en namens gebouwd zat dan bijvoorbeeld wethouder Bent in het bestuur, en uit de industrie zelfs meneer Groen van de bierbrouwerij in Groenlo, die zat daar ook in namens het gebouwd, namens de bedrijven, en ook de directeur van Motrac in Zutphen zat er in. Maar de landbouw, die was er ook altijd behoorlijk sterk in vertegenwoordigd en de kandidaten die werden gezocht vanuit standsorganisaties. Van de katholieke bond, van de protestants-christelijke en van de Gelderse Maatschappij van Landbouw. Ik was toen voorzitter van de CBTB en toen kwam van de andere organisaties de vraag: als de CBTB een kandidaat wil leveren dan zouden wij graag willen dat Henk Dondergoor zich kandidaat stelde. Nou dat heb ik toen gedaan en ik heb dat altijd met plezier gedaan.

Betonnen brug in de Wilminkbeek

De verbeteringswerken die zijn uitgevoerd bestonden voornamelijk uit het op diepte brengen van de leidingen, zodat er voldoende afvoer van water mogelijk werd. Maar er ontstond ook meer mogelijkheid voor mechanisch reinigen van de watergangen en er werden maaipaden aangelegd. Duikers werden vernieuwd zodat het water er gemakkelijk door kon. Houten bruggen die om de tien jaar vernieuwd moesten worden zijn vervangen door betonnen bruggen, die waren stabieler en beter bruikbaar voor de steeds zwaarder wordende landbouwmachines. De landbouw heeft daar goed op ingehaakt, veel drainage’s van natte percelen konden worden uitgevoerd. Met als gevolg dat de opbrengsten van de gewassen zijn toegenomen.

Wat betreft de financiën heb ik in mijn bestuur niet meegemaakt dat er tekorten waren, er was een gezond financieel beheer. Voor het uitvoeren van de werken was subsidiegeld beschikbaar, maar dat was niet alles. Bij de grote werken aan de Berkel en Slinge werd eerst geld geleend bij de Waterschapsbank. Nadat deze lening was afgelost werd verwacht dat van het jaarlijks budget een bedrag naar de Waterschapsbank toe ging, om met leningen anderen te kunnen helpen, dus er werd coöperatief gedacht.

Ik heb die hele strijd tussen natuurbeheer en landbouw natuurlijk altijd vanuit de landbouwbril bekeken. Wij boeren zaten te wachten op die verbeteringen. Die vroegere leidinkjes die overal lagen die waren over het algemeen een halve meter te ondiep. En op die manier is er dus ook getracht om de natuur ook wel te sparen. Ik heb diverse Watergraven meegemaakt. Van Baas weet ik me te herinneren dat hij ons als bestuur wel eens meenam op excursies, bijvoorbeeld naar Aken of Zutphen. Zo’n dag werd dan afgesloten met een etentje, en daar werd niet op bezuinigd. Toen later Looman Watergraaf was gingen we naar andere gelegenheden om te eten, omdat het daar de helft van het geld zou kosten. Ook heb ik nog Vermeulen als Watergraaf meegemaakt. De kleine gebiedjes van het Waterschap van de Berkel zijn later gefuseerd tot een grotere eenheid, en nog later zijn er diverse waterschappen gefuseerd tot het Waterschap van Rijn en IJssel. Het was vroeger gemoedelijker, maar na de fusie is er wel meer eenduidigheid in de verbeteringen gekomen.”

 

Kijk ook eens op: