Geloven in Gelderland: ”Woei, woei, woei. De wind doet Bloazen.”

Verhaal van Mevrouw Giesbers-Müskens

Tussen 1955 en 1973 bezocht de Groesbeekse Wilma Giesbers-Muskens wekelijks de kerk in Wyler in Duitsland. Ze gingen over een kerkenpad. Hoe en waarom zij vanaf haar zesde iedere zondag de landsgrens overstak, vertelt zij hieronder.

Tekst: Renate Stapelbroek

‘In 1955 verhuisden mijn ouders met hun kinderen naar de Oude Kleefsebaan 170, naar de rand van Groesbeek. Ik was zes en had net de voorbereidingen voor mijn Eerste Communie gedaan. In die tijd werd er verwacht dat je op zijn minst iedere zondag naar de mis zou gaan. Maar vanaf ons nieuwe huis was het zeker vier kilometer lopen naar de kerk in Groesbeek. Nu had mijn vader wel een auto en soms, met Pasen bijvoorbeeld, reden we naar de kerk in het dorp, maar met zeven kinderen in de auto was dat stapelen, hoor. Daarom gingen we voortaan iedere zondag om 10 uur naar de kerk in Wyler. Oké, die stond aan de andere kant van de grens, in Duitsland, maar wel dichtbij, dus dat was makkelijk te lopen. Er was weinig verkeer in die tijd. Mijn ouders gingen niet mee, waarschijnlijk de eerste keer wel, maar ik denk dat zij meestal een vroegere mis namen. In ieder geval, in mijn herinnering liepen we altijd met een grote groep kinderen naar de kerk. Er waren in de buurt meer Nederlandse families die in Duitsland de kerk bezochten. De familie G. bijvoorbeeld, die had tien kinderen. Die gingen, net als wij, in Nederland naar school, maar in Duitsland naar de kerk. En dan had je de familie V., die hadden vijf of zes kinderen, en de familie L. In het begin fietsten we naar school, maar dat werd al heel snel een bus, een speciale schoolbus. En naar de kerk gingen we lopend, naar Wyler, want dat was het dichtste bij.

Zo om kwart voor tien vertrokken we van huis en dan kwamen we onderweg andere kinderen tegen. In het begin was ik met mijn broers en zusjes, maar toen ik wat ouder was, liep ik samen met vriendinnen. We namen allemaal zo´n beetje dezelfde route, niet officieel door de grenspost, maar bij P. het erf over, want dan werd je niet gecontroleerd. Het was zo: aan de overkant van de Oude Kleefsebaan was de grens. Daar stond een grote boerderij, die was van de familie P. En die hadden aan de Nederlandse kant én aan de Duitse kant van de grens een hek. Dat was tegen het smokkelen, neem ik aan. Je maakte de eerste poort open en dan stond je op het erf. Er werd wel van je verwacht dat je de poort altijd dichtmaakte vanwege de dieren. Vervolgens stapte je door de tweede poort en stond je in Duitsland. Ik had nooit een pas bij me, nooit. Ik denk dat die grenswachters even verderop wel wisten dat wij kinderen van Jan Muskens waren en onderweg naar de kerk. Ik geloof niet dat ze gevaar in ons zagen. Het was een soort stille afspraak dat als de kinderen bij P. de grens overgingen, ze geen pas hoefden te hebben. Die hadden we ook niet. Qua afstand maakte het niet zoveel uit, maar omdat er bij de grenspost een slagboom was en altijd bewaking waar je niet zomaar voorbij kwam, namen we de route via P.. Die heeft daar, voor zover ik weet, nooit een punt van gemaakt. Ik denk wel dat P. die poorten dicht moest houden tegen smokkelaars. Niet dat dat hielp, want die smokkelaars zochten toch wel de achterafpaadjes door het bos, via de Duyvelsberg.

“Waar ik toen woonde, dat stuk langs de grens, dat is het buurtschap Wyler Lagewald. Heel vroeger bestond voor de mensen zelf die grens nauwelijks. Men ging over en weer met elkaar om, men trouwde ook grensoverschrijdend. En van oudsher waren er verbindingswegen. Wij hadden vanaf de Oude Kleefsebaan maar een heel kort kerkenpad. Je stak de weg over naar het erf van de familie P., vervolgens liep je de Schulweg door, linksaf de Krommestroat in en dan kwam je al snel bij de kerk. Eenmaal in de kerk werden we tussen de Duitse kindjes gezet, meisjes links en jongens rechts. Dat was gescheiden, net als bij de volwassenen. Je werd wel eens geschopt onder de bank, omdat we Hollanders waren. We schopten ook wel terug, hoor. En er werd Duits gepraat. Maar ik kan me niet herinneren dat ik dat raar vond. Ze hadden ook een Gotteslob. Dat was een dik kerkboek met heel veel dunne blaadjes en van die prachtig gekleurde heiligenprentjes. En alle liedjes stonden erin. Fantastisch vonden wij dat. Die lagen achter in de kerk, maar er waren ook mensen die er zelf een bij zich hadden. Dat wilden wij, de meisjes, ook. En op een gegeven moment hebben we er een gekregen. We waren helemaal niet zo heilig, maar het was meer het gevoel van ‘wij hebben ook zo’n mooi boek met prentjes en liedjes’. Een Gotteslob met goud op snee, geen echt goud natuurlijk, maar wel heel mooi. Die mocht je dan mee naar huis nemen.

Na de mis gingen we eigenlijk meteen huiswaarts. Met een beetje spelen waren we hooguit tien minuutjes onderweg. Dat spelen met mijn broers was meestal vechten. We waren altijd met een grote groep, ongeveer 30 kinderen. Ik kan me niet herinneren dat er contact was met de Duitse kinderen. Het was tien, vijftien jaar na de oorlog, die lag nog vers in het geheugen van de mensen. Misschien dat we met de kermis na de mis nog wel eens even in Wyler bleven, maar meer zat er niet in. Wat we wel deden was met Vastenavond met de ‘foekepot’ de deuren langs, zowel langs de Nederlandse als de Duitse kant. Dan hadden we onszelf verkleed en zongen we samen met andere kinderen uit de buurt een liedje. Zo liepen we onder andere naar de boerderij van P. en naar de familie J., die woonde ook net over de grens. Die mensen hoorden bij de buurt, die kende je. Maar we gingen niet het dorp Wyler in. Dat was het domein van de kinderen daar.

“Vlak voor het feest van Sint Maarten kwam men vanuit Wyler bij ons aan de deur. Dan moesten mijn ouders bonnetjes kopen en mochten hun kinderen meelopen met de optocht. Die bonnetjes waren voor het snoep dat uitgedeeld ging worden. De traditie van Sint Maarten kenden we in Groesbeek niet. Op 11 november verzamelden we bij de kerk in Wyler. Als lantaarn zeulden we zo’n zware suikerbiet mee. En dan zongen we liedjes als: Woei, woei, woei, de wind doet bloazen. Dat was in het dialect. Of: Ich gehe mit meine Lanterne und meine Lanterne mit mir. En ook: Sankt Martin, Sankt Martin, Sankt Martin ritt durch Schnee und Wind. Zo zingend deden al die kinderen in de optocht mee. In het begin, toen we nog klein waren, waren de ouders erbij. Ik heb nog een foto, daar loop ik met mevrouw P. aan de hand. Want ja, mijn moeder had er zoveel, dus werden de kinderen verdeeld over verschillende volwassenen, zodat iedereen veilig liep. De brandweer liep met fakkels mee en de mensen langs de route hadden hun huizen versierd met kaarsjes in jampotjes. We trokken het hele dorp rond tot terug bij de kerk waar een gigantisch vuur was opgestookt. Daar stond Sint-Maarten en de bedelaar die een stuk van zijn mantel kreeg. En op het laatst gingen we naar het parochiehuis waar we een heel grote zak snoep kregen. Ja, met Sint-Maarten hoorden we er echt bij. Maar uiteindelijk, op mijn achttiende, ben ik lid geworden van het jongerenkoor van de parochie in Groesbeek. Vanaf die tijd ging ik in Groesbeek naar de kerk. Ik had inmiddels ook mijn rijbewijs gehaald. Heel soms kwam ik nog wel eens in Wyler, als er een schuttersmis was bijvoorbeeld. Dan merkte ik ook duidelijk de verschillen in modernisering in beide kerken. Dan hoorde ik ze weer bidden voor de afgedwaalde Hollanders. Volgens de Duitsers waren de Nederlandse kerken de weg helemaal kwijtgeraakt.

Het erf is er nog altijd en volgens mij staan de hekken er ook nog. Maar de familie P. woont er niet meer en de grenspost is allang opgeheven.’

Kijk ook eens op: