Boerenerven: ‘Je wordt letterlijk asociaal van dit werk’

Chris Grinwis

Het is eind oktober. Een mooie heldere dag op het Beekhuizerzand in Harderwijk, een schitterend gebied van bos, heide en zandverstuiving. Ik loop een middag mee met schaapherder Chris Grinwis en zijn kudde Schoonebeeker heideschapen, enkele geiten en de twee honden, Floortje en Sammy. Chris is nog een van de weinige zelfstandige schaapherders in Nederland. Het is een onzeker, bedreigd bestaan. Maar Chris vecht, met hart en ziel en alle (moderne) middelen die hem ter beschikking staan, voor het behoud van zijn kudde.

Auteur Rita Steenwoerd, beeldmateriaal Ron van der Duyn.

‘Vroeger zorgden de schapen voor wol, mest en vlees, in die volgorde. In feite is de komst van kunstmest en kunstgaren de doodssteek voor de schaapskuddes geweest. Tegenwoordig kóst de wol meer geld dan dat het oplevert. Maar je kunt het scheren niet overslaan, want dan komt er allemaal rotzooi in de vacht. Het wordt veel te lang en met name ’s zomers, dan legt de grote groene vleesvlieg z’n eitjes erin. Als je niet oplet, wordt het schaap opgevreten door de maden. In juni worden de schapen altijd geschoren. Nee, dat is hier geen feest met allemaal mensen erbij. Dat is gewoon keihard werken. Weet je, mensen zijn veel te fijngevoelig. Ik denk een jaar of vijf, zes geleden werden de kudde van Epe en Heerde geschoren. Toen stond er ’s maandags in de krant dat de Dierenbescherming was geweest en ’t was allemaal wel netjes gegaan. Maar konden de schapen niet verdoofd worden voordat ze geschoren werden? Daar kan ik niets mee.

Mijn vrouw en ik zijn zo’n 22 jaar geleden met vijftig schapen begonnen en hebben de kudde langzamerhand uitgebreid. Mijn vrouw staat niet meer in het veld, want haar knieën zijn versleten. Dit jaar hadden we geluk dat we een invaller konden betalen. Dan heb ik één dag in de week vrij, maar die dag gaat ook voor de helft op aan het bedrijf. Vakantie hebben we niet. Schaapherders waren vroeger zo arm als een kerkrat, dat zijn ze nog steeds, hoor.

Deze kudde bestaat nu uit totaal zo’n 460 dieren, waarvan ongeveer 230 volwassen ooien en 180 hamels. Een hamel is een gecastreerde ram. Ik castreer sowieso altijd mijn ramlammeren. Dan kan ik ze namelijk zo lang mogelijk in de kudde laten lopen. Anders moet ik ze halverwege de zomer, als de bronst begint, uit de kudde halen en mijn inkomsten zitten in terreinbeheer. Dus hoe meer bekken ik in het terrein heb, hoe meer hectares ik aankan, hoe meer geld ik verdien. Een schaap wordt gemiddeld commercieel zes jaar. Meestal begeeft het gebit het, dan kunnen ze niet meer vreten. Ik heb er ook altijd wat geiten bij, want geiten eten de bomen makkelijker aan dan schapen.

Ik heb gemiddeld één dekram op vijftig ooien. Kijk, die met die rooie cirkels, dat zijn de dekrammen op dit moment. Normaal gesproken doe ik altijd rond 15 augustus de rammen erbij, de dracht is vijf maanden, dan komt de lammertijd uit in januari/februari. De lammeren die fatsoenlijk groeien en geen genetische afwijkingen hebben, houd ik. De rest gaat naar de slager. Dat is lekker vlees, hoor. Zo heel af en toe gaat er eentje voor de fokkerij weg. In 2001 zijn we geruimd en hebben we een kudde nieuw aangekocht, maar dat verschil kon je merken. Het heeft me jaren gekost om de genetische afwijkingen eruit te fokken. Vóór 2001 liepen we nog van Epe naar de dijk tussen Nulde en Spakenburg in drie dagen. Na de MKZ heeft het ten eerste twee jaar geduurd voordat ik m’n oude discipline in de kudde terug had en ten tweede: we gingen weer naar de dijk, de eerste dag wou nog wel, de tweede dag was gewoon niet fijn en de derde dag was echt een drama. Ik moest continu drijven en ik heb een hekel aan drijven. Ik leid mijn schapen. Vorig jaar ben ik met de hele kudde van Epe naar Arnhem getrokken. Om positieve aandacht te vragen voor de schaapskuddes en de benepen financiële toestand van de herders van zelfstandige kuddes. Er was toen ook een collega bij, echt een vakman, en die zei aan ’t eind: ‘Ik loop ook heel veel met mijn schapen, maar die van mij hadden dit niet zo uitgehouden als die van jou.’ Da’s een heel groot compliment, hè.

Mijn vakkennis groeit nog iedere dag, maar die wordt niet gezien en gewaardeerd door de meeste terreinbeheerders. Ze willen alles sneller en goedkoper. Natuurlijk is het goedkoper als je de schapen in een raster zet en je iemand aanneemt die niets van het vak weet en alleen één of twee keer per dag naar de schapen hoeft te kijken. Maar met het verdwijnen van de traditionele rondtrekkende schaapherder verdwijnt er behalve veel vakkennis, ook een stuk cultureel erfgoed en dat is doodzonde. We hangen toch ook niet een kopie van de Nachtwacht neer omdat dat veel goedkoper is?

Er zijn veel vooroordelen over schaapherders. Mensen denken dat we stom zijn. Vroeger had je met name op de Veluwe kleine kuddes en degene die te dom was voor het boerenwerk werd met de schapen op pad gestuurd. Die was nog minder dan een dagloner. Over twee á drie weken ga ik weer bij de boeren naar een weide. De weilanden moeten zo kort mogelijk de winter door, dan krijg je in het voorjaar meer groei. Omdat de koeien in de winter op stal staan, gaan de schapen erin. Het gaat met gesloten beurs, de boeren hebben er geen werk aan en ik heb er voer van. ’s Zomers is de voedingswaarde van de vegetatie veel hoger, de schapen moeten nu langer eten om voldoende voeding binnen te krijgen. We moeten er in deze tijd van het jaar behoorlijk tegenaan werken. Ik hoed als een van de weinigen twee keer op een dag, want dat is namelijk het natuurlijke verteringsproces van mijn schapen. Ze vreten zich vol, gaan dan liggen herkauwen en dan gaan ze weer vreten. Kijk, ze moeten nou ook even ergens anders heen, want nou vreten ze niet meer.

Floortje, grens! Kijk, zo simpel is het nou, je loopt gewoon weg en ze lopen met je mee. Ik maak eigenlijk gebruik van de sociale structuur van mijn schapen. Kijk, die met de bel om, dat zijn de leidschapen, die hebben het leidersinstinct in zich. We gaan daar op de heuvel staan. Mijn hamels, daar gaan we gewoon buiten de winter mee door, dat kunnen ze hebben. De ooien gaan meestal wel naar binnen toe, ook in verband met het lammeren. Maar eigenlijk zou ik het liefst buiten aflammeren. Het voordeel daarvan is dat je direct een natuurlijke selectie hebt. Zwakke lammeren redden het niet en daar hoef je helemaal niet rouwig om te zijn; je wilt geharde schapen. Men denkt dat het in een stal allemaal leuk, lief en aardig is, maar je zet per definitie te veel dieren op een te kleine plek. Je moet je stal heel goed managen, dat je niet met parasieten te maken krijgt. Dat heb je met die rietgedekte dingen, die zijn meestal donker en bedompt. Het ziet er allemaal mooi uit aan de buitenkant, maar 200 jaar geleden wisten ze al dat dat soort stallen slecht voor schapen was.

Nee, ik ben niet eenzaam. Eenzaamheid is het onvermogen om jezelf te kunnen vermaken. En tuurlijk heb ik af en toe wel slechte dagen, dan moet je niet bij me in de buurt zitten. Je wordt letterlijk asociaal van dit werk. Het is nou mooi weer, maar anderhalve week geleden stond het een hele zondag te zeiken van de regen. Dan moet je het wel volhouwen, daar moet je een bepaald karakter voor hebben. Wat voor karakter? Lomp, dom en eigenwijs! Een plaat voor je hersens hebben. De meesten redden het niet, ’t is toch een vreselijk hard vak. Die schapen vragen echt niet aan jou: ‘Och, zit jij wel goed in je vel? Heb je wel lekker geslapen?’ Wat ik zo mooi vind aan dit vak is dat ik iedere dag weer word uitgedaagd om het beste uit mezelf te halen. Daar moet je een bepaalde mindset voor hebben om dat te kunnen, hè. Tuurlijk, het lijkt een vreselijk romantisch beroep. De helft van Nederland zou mijn baan wel over willen nemen, maar als je weet wat voor ellende we de afgelopen tien jaar gehad hebben, nou echt, 99,9 procent was al lang omgekiept. En wij lopen nog hè, wij lopen nog. De hele onzekerheid van het systeem, dat je niet weet of je volgend jaar nog wel bestaat. En de MKZ, hè. Dat was een drama en nog steeds, het is een open wond. En waar ’m dat in zit, weet ik eigenlijk niet. Uiteindelijk gaan al mijn dieren naar de slager toe, dus dat is het niet. Maar het is het compleet overgenomen worden door de staat, hoewel we netjes zijn behandeld, hoor. Ik heb na de MKZ een hele mooie tattoo laten zetten, da’s mijn rouwproces. En dat is het laatste wat ik erover wil zeggen.

Ik wil nog wel een ander verhaal vertellen. Ergens in ’98 of zo, sta ik aan de dijk. Er komt een Toyota King Cab aanrijden, zet ’m aan de kant en er gaat een Opeltje achter staan. Er stappen twee mannen in pak uit het Opeltje. De chauffeur van de King Cab komt de dijk op en ik vraag: ‘Waar zijn jullie van?’ Eerst had hij een smoesje en toen zei hij: ‘Ach, ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar voorin die King Cab zit Juliana. Achterin zit een gezelschapsdame en die boom van een vent achterin, dat is er een van de paleiswacht. Die twee mannen in dat Opeltje zijn van de recherche.’ Ik zeg: ‘Tuurlijk, steek een ander de kachel aan’, want de zon scheen op de voorruit dus ik kon niet goed zien wie er in zat. Maar bij het wegrijden draait die auto, de zon komt uit die voorruit en ja hoor: Juliana. Vind ik bijzonder. Een paar weken later, in de Arkeheempolder, zie ik aan het eind van de dag weer diezelfde King Cab en hetzelfde Opeltje over het fietspad aan de dijk rijden. Ik heb daar een hele tijd staan kletsen met die hofdame, maar Juliana zelf heb ik niet aangesproken, want hoe anarchistisch ik ook ben, dat doe je dan niet. Voor Juliana heb ik altijd heel veel respect gehad. Ik hoop dat haar kleinzoon, die het leiderschap van zijn grootmoeder als voorbeeld ziet, ook een keer bij me langskomt. En nu heb ik geen tijd meer om te praten, ik moet aan het werk. De schapen hebben genoeg. We gaan terug, ik ga ze inrasteren voor de nacht.
Floortje, kom hier! Sammy, grens!’

Kijk ook eens op: