Boerenerven: “Ik wist nooit dat Dirk een broer van me was”

dalfsen_foto_2009_c_verbeek
Cornelis Verbeek (Geb. 1922)

  De heer Verbeek, 91 jaar oud, is kwiek en heel helder van geest. Het weiland van de boerderij van zijn ouders waar hij geboren is, grensde aan Gelderland. We zitten nu aan de eettafel in zijn woongedeelte van boerderij ‘De Pionier’ in Dalfsen, de plek waar hij terechtkwam om te gaan boeren. Hij vindt het heel belangrijk om geschiedenis door te geven aan volgende generaties en vertelt over zijn jeugd in Renswoude en omgeving.

Auteur: Eefje Huisman, Beeld: Ron van der Duyn

‘Geschiedenis is zo belangrijk. Dat heeft (minister-president) Den Uijl laten varen. ‘Nu het gas komt hoeven we niet meer te werken en de geschiedenis is voorbij,’ zei hij, ’we gaan nou vooruit’. Mensen moeten weten wat geweest is, bijzonder belangrijk is dat. Alles is niet maar zo gekomen, dat moet je niet denken. En het gaat altijd op en neer, dat is nooit anders geweest. Onze boerderij in Renswoude ‘De Klein Beek’ stond midden in het grasland. Je had eerst de ‘Grote Beek’ en later is er blijkbaar een stuk van verkocht en zo is onze boerderij ontstaan. Er was helemaal geen uitweg, maar ja, daar keken ze toendertijd helemaal niet naar. Iedereen ging altijd bij ons achter het huis langs en door het land weer op Ubbeschoten aan, richting Renswoude. De bakker, postbode en vreemden, dat was heel gewoon.

In de jaren vijftig hebben ze een uitweg gemaakt. De beek is ook helemaal veranderd. Dat kromme, dat was echt oude natuur van vroeger. Het was een mooi gebied, maar als je daar geboren bent, och, dan zie je dat niet zo. Wij liepen door het land naar school. Bij regen was er overal modder. Het gebeurde weleens dat het achterste gedeelte waar je doorheen moest lopen, helemaal onder water stond. Dirk, mijn oudste broer, bracht ons soms met paard en wagen. Mijn zus Gijsje durfde niet op de wagen, die sprong er zo vanaf. Veertien kinderen kregen mijn ouders, waarvan er twee jong stierven. Acht jongens, vier meiden. Ik was de oudste van de jongste drie jongens. De eerste drie waren ook jongens. De oudste, Dirk, hebben wij thuis niet eens meegemaakt. Het leeftijdsverschil was zo groot. Ik wist nooit dat Dirk een broer van me was. Hij was knecht bij de buurman waar we langsliepen naar school. Hij werkte ook bij ons thuis, dus dan was hij toch knecht bij ons, dacht ik. Dirk is heel lang thuis geweest, die is laat getrouwd. Helmert heb ik ook nooit thuis gekend. Hij was Helmert uit Apeldoorn. Eenentwintig jaar was hij toen hij daar als melkboer begon. De boerderij was niet groot, negen hectare. Zodoende moesten de jongens bij een ander gaan werken. Dat was overal zo.

kleine_beek_tussen_huis_en_schuur_1932
Op de ‘Kleine Beek’ v.l.n.r. Dirk, dhr. Hobbel, Gijsje, Dirk Aart, Cees, Frans, mevr. Hobbel en moeder.

Vader ging elke week met paard en wagen naar de eiermarkt en de kaasmarkt. Vroeger sprak men elkaar veel meer dan tegenwoordig. Men wist precies als er ergens een knecht nodig was. Vader had acht, negen koeien. Later had hij er meer. Hij kon van de baron zes bunder bij huren. Hij had meer kunnen krijgen, dat wilden de jongens ook wel, maar vader wilde dat niet. Dan had hij minder tijd voor de kerk. Hij deed heel veel voor de kerk, daar was hij altijd voor op pad. Hij was nooit thuis kun je wel zeggen. Aan de ene kant best wel goed, want de jongens deden het werk wel. Arbeid kostte niks toentertijd. Hij wilde dat hele grote niet.
Hij kon twee paarden houden en vijftien, zestien koeien. Dat was vrij groot. Je had er ook nog bouwland bij.

renswoude_kleine_beek_1924
1924 v.l.n.r. Cees 2 jaar oud, Maagje, Gijsje, daar achter staat Dirk de oudste broer.

Moeder was altijd een sloofje. Nou ja, die zorgde overal voor; het eten, wassen, de kleren dichthouden en sokken stoppen. Ze was altijd thuis. Ja, ze gingen wel samen uit, hoor. Dan gingen ze met paard en wagen of met de bus of met de trein. Moeder ging heel veel met de autobus. Ze kon niet fietsen, ze moest altijd lopen naar de bus in Renswoude. De chauffeurs kenden haar precies, als ze haar zagen dan stopten ze zo. Toen had je geen bushaltes. Haar moeder leefde toen nog en woonde in Woudenberg, daar ging ze dan wel een dagje naar toe en naar de andere familie. Die heeft wat afgetippeld, ze moest altijd lopen, lopen, lopen.

Naar de kerk toe gaan was in die tijd een gekronkel. Dat was wel een kilometer of zes. Dat moest je wel lopen, elke keer. Je had ruim een half uur werk om te lopen. Maar er waren er aan de andere kant van Renswoude, die moesten soms nog verder lopen. Dat was heel gewoon. Enkele gezinnen, die een beetje rijker waren, hadden een fiets. Wij hadden altijd klompen aan. In de ene gang waren allemaal klompenrekken. Vader ging altijd met de fiets. Moeder is ziek geweest, ik weet niet of het daar wat mee te maken had, maar toen kon ze niet meer fietsen. Als je naar de familie ging, gingen we met paard en wagen. Eerder met de brik [rijtuig, red.], dan mochten wij weleens mee naar moeders broers en zusters. En mekaar brieven schrijven, hè. Telefoon was er niet. Radio hadden ze vroeger ook
niet, noch elektriciteit. Dat is allemaal na de oorlog gekomen.

Moeder bakte zelf brood. De bakker kwam dan één keer in de week een broodje brengen. Moet je rekenen, op een bakfiets brachten ze één zo’n broodje bij de boeren voor een paar centen. De slager en de post kwamen ook door die slechte modderwegen. Elke maandag moest er een was gestookt worden. Een pot om in te wassen en water stoken. Met takkenbossen ging je een fornuis stoken voor kokend water. Eerst het witte goed en dan ging in hetzelfde water het bonte goed. Ik  moest altijd een halve dag draaien ’s maandags morgens.

In de dertiger jaren ging het heel slecht met de bedrijven. Er was werkloosheid. De grond was niks waard. De landheren konden de boerderijen niet eens meer kwijt. Veel boeren gingen failliet, dat was toen heel erg. Soms gingen kinderen zonder eten naar school. De onderwijzers kregen dat in de gaten en gaven hen eerst wat boterhammen voor de les begon. Ik ben in januari geboren. Zodoende kon ik in april naar school toen ik zes was. Ik ben één keer blijven zitten. Als je veertien was, moest je eraf, dan zat je in de hoogste klas. Maar ach, dat stelde niks voor. In de zevende klas zat je apart. De meester liep langs en gaf je dan iets aan om te leren, verder niks. Drie januari zei ik: ‘Meester, ik ga van school af.’ ‘O ja?’ zei hij. ‘Ja, ik ben veertien jaar morgen.’ ‘O,’ zei hij, ‘ik zal een boekje voor je klaarmaken, hoor. Dan geef ik je een bijbeltje mee.’

dalfsen_foto_1953_eerste_paard_bruintje
1953 Cees met Bruin zijn eerste eigen paard die hij 14 jaar heeft gehad.

Als je van school afkwam, moest je boerenknecht worden. Mijn zuster en zwager gingen in die tijd trouwen. ‘Als je van school komt, mag je wel mee naar Apeldoorn,’ zei m’n zus, ‘ik wil wel een knechtje hebben zolang’. Zodoende ben ik daar een jaar geweest. Arie, die knecht was bij broer Helmert de melkboer,
en ik fietsten eens in de drie weken naar huis. Zaterdagsavonds naar Renswoude en zondagsavonds weer terug naar Apeldoorn.
Kleren die gewassen moesten worden hadden we in een grote doek geknoopt. Wassen deden sommige boeren ook wel, maar dichthouden niet. Die wollen sokken had ik zo kapot. Dat was ellendig. Dan had Gijsje ze gestopt en voordat ik ging, dan ging ik eerst met mijn hand erin. Of ze wel goed dicht waren. Ze kon machtig dicht stoppen, maar die meisjes deden het een beetje losjes. ‘Jullie kunnen het me wel kwalijk nemen, maar als ik hier kilometers vandaan ben en het is in één dag
weer kapot, wat heb ik daaraan?’ Het had heel wat te lijden met laarzen en klompen aan. Dat slijt zo allemachtig.
Nadat mijn broer Willem een ongeluk kreeg met paard en wagen, zei vader: ‘Nu moet je weer thuiskomen zolang.’ Ik ben ook nog een jaar bij Dirk, mijn oudste broer, geweest.

Slachten deed iemand die slachter was, die bestelde je dan. Dat moest je bij de gemeente aanvragen, die kwam eerst keuren. Elk jaar werd een varken geslacht. Dat werd geweckt. De zijden spek droogde je aan de zolder. Al het vlees moest eraf, want in vlees gaan de wormen zitten, in spek niepachtbetaling_voorbladt zo. Worst maakte je ook zelf. Leverworst, dat deden ze in het fornuis. Balkenbrij maken, hoofdkaas, al die dingen. Balkenbrij was zwaar werk, dat deden wij later zelf ook, dan moest ik altijd roeren en m’n vrouw deed het meel erbij. Dat was altijd heel droog, met boekweitmeel. Dan moest je de pan goed vasthouden, want anders viel de hele boel op
de grond. De hoge stukken land waren bouwland; rogge, haver en gerst. Op de kleigrond had je tarwe. Die moet je op die lichtere grond niet hebben, maar zomergerst ging geweldig best. Je moest wisselbouw toepassen, niet altijd hetzelfde doen. En je had voederbieten en aardappels. Later is de maïs gekomen, dat is heel anders. Zie, nu heb je de bieten niet meer nodig. Maïs hoeft geen wisselbouw. Als je wortels hebt, dan moet je zeven jaar aanhouden zeggen ze. Het is maar net in welke streek je geboren bent en waar je hebt gewerkt, op klei boeren is anders dan op zandgrond. Ach, dat leer je vanzelf wel.

Het land bracht vroeger veel minder op dan nu, want er was bijna geen mest. Toen was mest een zegen, nu is het een vloek geworden. Later is de kunstmest gekomen, zoals kalizout, slakkenmeel en fosfor. Er was anders ook niks van terechtgekomen. De lage stukken land waren grasland. Het was bar zwaar werk als je grasland omscheuren moest met de paarden. Dat was heel oude zooi [graszode, red.], heel taai, dus dat deed je niet zo vaak. Toen de trekkers kwamen, zei men: ‘Ja, maar dan gaat de structuur van de grond kapot.’ Maar dat geeft niks, want ze trekken het terrein ondersteboven en dan heb je weer nieuw land. Dat brengt meer op dan het oude gras als het erop aankomt. Voor de cultuur zijn paarden wel beter, maar ja, als je dan moet scheuren, heb je ter vergelijking wel drie, vier
paarden nodig, anders kun je het niet. Er was overal bar veel hout. Allemaal houtwallen, die werden om de zoveel jaar afgezaagd en daar had je dan takkenbossen van. De bakkerijen moesten de ovens stoken met takkenbossen. Wij hebben zoveel mogelijk wallen weggehaald. Voor de boerderij is het niks, die houtwallen. Ik heb het veel meegemaakt in Harskamp en later op Wagensveld nog erger, allemaal rare stukjes grond. Tussendoor een sloot, (hout)wallen en allemaal schaduw. Het gras heeft dan ook geen kwaliteit, daar komt geen zon bij. Een boer moet er wel van bestaan.

harskamp_foto_1964_
Weduwe Maatje van Ginkel- Blaauwendraad uit Harskamp waar Cees na de capitulatie in de meidagen van 1940 als paardenknecht ging werken.

In Leersum was een boertje die tijdelijk een klein bedrijfje had. Maar hij was de zoon van een rijke boer, pas getrouwd en hij had een klein kind. Hij werd in 1939 opgeroepen voor de mobilisatie. Dat bedrijfje moest gerund gaan worden en eerst hadden ze daarvoor een daghuurder. Toen heeft die oude Blaauwendraad mij voor een jaar gehuurd, want ze wisten ook niet hoelang die oorlog zou gaan duren. Zes bunder had hij en ik wist er verder niet zoveel van, maar moest wel alles doen. Die vrouw deed niks daar, hoor. Maar goed, ik kon het wel aan. Ik heb de oorlog die toen uitbrak daar helemaal meegemaakt. Verschrikkelijk! [meidagen
1940, red.] Daarna had hij me niet meer nodig natuurlijk, toen ben ik naar Harskamp gegaan.’

Kijk ook eens op: