Boerenerven: “We merkten pas achteraf hoe ’n impact die ruilverkaveling had.”

_MG_6388Ben Hiddink

Ben Hiddink (1942) kan niet alleen veel over oude gebruiken op de boerderij en oude werktuigen vertellen, maar heeft ook een duidelijke mening over de ruilverkaveling en de gevolgen daarvan, het landbouwonderwijs en de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst. Een hele mondvol, die hij met graagte kritisch over de tong laat rollen.

Auteur: Margreet Gründemann; Foto’s Jan van de Lagemaat.

Zie ook zijn verhaal over het leven op en rond het erf.

“Toen men voor de ruilverkaveling stemde, hadden maar weinigen in de gaten wat een impact dat zou hebben op de streek. Ruilverk
aveling, ook wel streekverbetering genoemd, was niet alleen een kwestie van herverdelen van de grond. Met de ruilverkaveling werden ook de sanitaire voorzieningen verbeterd, kwamen er douchegelegenheden en ontstond het idee van gescheiden wonen van jongeren en ouderen. Er kwamen moderne aanrechten en er werd met de dames gesproken over huishoudgeld.
Het betekende dat de overheid subsidie gaf om allerlei werken te doen. Grondverbetering bij grond die minder geschikt was om te boeren, waterafvoer en het opnieuw indelen van de grond zodat iedere boer zoveel mogelijk grond bij z’n eigen boerderij kreeg. Daar hoorde ook een mentaliteitsverandering bij.vdLa_151208_143915_OH Hiddink_MG_8324_compr

Met de ruilverkaveling is het eigenlijk officieel zo, dat je op dat moment afstand doet van je grond. Ja het klinkt raar, maar de grond is dan eigendom van de Cultuurtechnische Commissie. Die zorgt voor een nieuwe verdeling.
Ik weet nog dat die commissie voorlopig gronden toegewezen had; grond die van de ene boer naar de andere zou gaan. En het gebeurde wel dat de nieuwe boer zich daar liet zien, maar dat de oude boer die daar vroeger eigenaar van was, op hoge poten naar de commissie ging en de politie erbij haalde, want: wat doet die op mijn grond! Het was dus ook van invloed op hoe mensen met elkaar om gingen.
We merkten pas achteraf wat een impact dat had. Niemand heeft dat in de gaten gehad. Het gaf wel een beetje strubbelingen zo hier en daar, maar iedereen moest eraan geloven.
Er waren een heleboel mensen die het zelf al zo’n beetje ‘uitgeviegelierd’ hadden. Zo was het bij ons in de buurt wel een beetje lastig met de grond, want iedereen woonde dicht bij elkaar. Dan was het: als die nou eens zus en als die eens zo …
De ruilverkavelingcommissie luisterde natuurlijk wel naar dit soort verhalen, want je kreeg hoorzittingen en iedereen kon zijn zegje doen. Maar het beroerde was dat een heleboel mensen dat al een beetje onder elkaar wilden bekokstoven. En al tegen elkaar zeiden van: “Ik zet oe de buurt uut wanneer iej de grond van mien nemt.” Ze hadden al mot voordat de ruilverkavelingcommissie de mond open gedaan had.
Ik was toen nog jong, dan kijk je daar ietsjes anders tegenaan. Wij jongeren zeiden: “Ja, maar als jullie mot hebben over een bepaald perceel, dan moet je naar die commissie gaan en zeggen: ik vind zus. En als de buurman dan zegt: ik vind zo, dan is dat zijn recht. Laat de commissie dan maar beslissen.”
Die commissie had tot op zekere hoogte macht. Maar als puntje bij paaltje kwam dan moest het voor de rechtbank. Met de advocatuur erbij. Dan moest je, ook als commissie, heel goede argumenten hebben om dingen die iemand per se niet wilde, er door te drukken.
Er zijn toen soms heel rare dingen besloten. Voor een perceel ergens was het nodig om een sloot te maken, voor achterliggende percelen. Maar een zo’n eigenaar wilde die sloot helemaal niet. Een sloot kwam altijd voor de helft op het ene perceel en voor de helft op het andere perceel. Maar die ene eigenaar wilde dat niet. Toen hebben ze een sloot gegraven met aan de ene kant een honderd procent steile wand, terwijl het aan de andere kant gewoon een sloot was. Ieder klein kind kon aanvoelen dat dat op den duur inzakte. Maar zulk soort compromissen zijn toen gesloten. Als jonge knapen lach je je daar slap om, maar ik weet wel dat de ouderen zich opgevreten hebben!

vdLa_151208_142121_OH Hiddink_MG_8281_comprEr hoefden helemaal niet veel hagen en heggen weggehaald te worden. Het was zelfs zo dat in het plan van de ruilverkaveling ruimte was voor veel meer hagen en heggen. Dat was voor de instandhouding van het coulisselandschap, zoals dat zo mooi heet. En dat zou gepaard gaan met de aanleg van nieuwe natuur. Maar die percelen van vroeger, en ook de watergangen, waren zo raar kronkelig. Dus toen dat alles een beetje recht werd aangelegd, kwam het er in de praktijk op neer dat er eerst verschrikkelijk veel gekapt en weggehaald is. En het nieuwe spul was eerst zo klein, dat een heleboel burgers zeiden: “Ze maken helemaal niks van die ruilverkaveling, dat wordt een maanlandschap.” Nou, dat duurde drie jaar en toen hadden ze in de gaten dat ’t best meeviel.

In die tijd van de streekverbetering werd er ook over gesproken dat de vrouwen het geld voor het voorhuis apart moesten zetten van dat voor het achterhuis. Vroeger ging al het geld in één pot en soms was die pot wel eens leeg. En dan zei de boer tegen de vrouw: “Hoe kan dat nou?” Dan zei die vrouw: “Nou, je hebt natuurlijk een koe gekocht die niet noodzakelijk was.” Ja en dan kon er geen brood gekocht worden. Met de streekverbetering zeiden de voorlichtsters: “Je moet als vrouw tegen je man zeggen: Ik heb zoveel nodig voor de huishouding. En dan moet je ook een huishoudboekje maken. Je moet opschrijven wat je allemaal uitgegeven heb. Dan snapt die ook dat je met het huishoudgeld soms niet uit komt.” Die voorlichting was vooral bedoeld voor de jongere gezinnen. Mijn moeder was van een generatie die dat al niet meer zo belangrijk vond.
Invriezen werd ook gestimuleerd, met een eigen vrieskist en met diepvrieshuisjes. Maar van onder de pomp naar de douche was voor sommigen een té grote stap. Daar werd de douche nog jarenlang gebruikt als aardappelopslag, mooi vorstvrij.

Eén van de vele gebruiksvoorwerpen uit het museum van Ben Hiddink
vdLa_151208_142832_OH Hiddink_MG_8295_compr
Diverse gebruiksvoorwerpen, links vooraan op de tafel een zaadolie molentje.

Ik heb eerst de lagere en daarna de middelbare landbouwschool gedaan. School en thuis waren twee heel verschillende dingen. Dat sloot zo slecht aan. Je nam wat je leerde niet mee naar huis omdat het absoluut niet aansloot bij wat je thuis deed.
Ik was zelf nogal geïnteresseerd in mechanische dingen en zo. Die smid die daar op school een beetje tekst en uitleg over gaf, vond ik maar dom, want ik wist er zelf veel meer van, dacht ik. Dat was ook zo toen mijn zoons naar de middelbare landbouwschool gingen, precies hetzelfde. Die leraren vertelden wat. Daar kwamen ze mee thuis en dan zeiden wij: “Nou, dat is twintig jaar geleden al afgeschaft.” Of: “Dat is tegenwoordig heel anders.” De leraren van onze school en van de school van de jongens, die zouden eens een keer de boer op moeten gaan en kijken wat er op een boerderij werkelijk loos was.
Het hoorde bij het leven dat je naar school ging en dat je met andere mensen contact had en dat soort dingen, maar leren voor dingen waar je later op het bedrijf wat aan had? Nee!
Het was ook zó theoretisch. Als je boerde zoals ze je dat op school leerden, dan schakelde je in het bedrijf om de vijf jaar over op een totaal ander aspect of op een heel andere manier van werken of denken.

Ik heb het er later heel vaak over gehad, ook met anderen. Later maakten onze zoons weer datzelfde mee. Nee, dat was werkelijk verschrikkelijk. We hebben hier stagiairs gehad, die dan een stagebegeleider kregen. Zelfs die kobussen wisten nog niet waar ze over spraken. Eén voorbeeld zal ik geven. We hebben een keer een stagiair gehad die heel hard werkte. Maar die liep met zijn kont van de sokken, wat hij met zijn handen recht gezet had. Ja, zulke mensen zijn er nu eenmaal. Toen zeiden we tegen die stagebegeleider: “Zijn jullie verzekerd?” Want we hadden wel in de gaten dat er nog wel eens wat mis kon gaan bij die knaap. “Ja”, zei hij, “dat was allemaal wel in orde, maar dat hoefde toch nauwelijks, want je moest hem toch geen dingen laten doen?” Maar je kunt zo’n jongen toch niet alle dagen alleen maar kalverhokken laten uitmesten, daar leert hij helemaal niks van. Als je een stagiaire ook een beetje verantwoordelijkheid geeft en niet overal direct bij staat, dan kan er wel eens iets gebeuren. Nou, toen maakte hij een keer een flinke brok. Het is wel goed gekomen, maar de school had er nog nooit over geprakkezeerd dat zoiets gebeuren kon.
Op dat moment merk je dat de school en de leraar totaal geen idee hebben hoe het op een boerderij gaat. Wel hoe het er vroeger aan toe ging, dat hadden ze geleerd. Maar ze waren niet met de tijd meegegaan en wisten niet waar ze nu over spraken.

Met melkonderzoek, met lijsten voor de koeien en met grondonderzoek en dat soort dingen zijn we begonnen doordat we de literatuur, de landbouwbladen lazen. Maar niet doordat we er op school mee werden geconfronteerd. Ik kan me niet herinneren dat ik op school iets geleerd heb waarvan ik thuis zei: daar heb ik wat aan. Je hoorde wel dingen van andere jongens of als je ergens op visite ging.
En dan had je de landbouwvoorlichting. Dat was ook tegen 1960. De Rijkslandbouwvoorlichting, RLVD. Dat waren mensen die allerlei praktijkdemonstraties gaven. Had een boer een nieuw kippenhok, dan kwamen de mensen van die Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst. Assistenten heetten die dan: assistent pluimveehouderij, assistent varkenshouderij. Zo’n assistent die riep dan een groepje boeren in de streek bij elkaar en die zei van: “Kom kijken, die boer heeft een nieuw kippenhok en wat zitten die kippen mooi op de stok!” Het waren allemaal heel eenvoudige dingen.
Dat was in mijn jonge jaren. Toen werd er volop met de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst gewerkt. Ze moesten niet het traditionele laten zien, maar ze moesten juist het vernieuwende laten zien.

Hier bij ons kwamen die mensen ook. Wij vonden dat maar zozo. We konden ons niet voorstellen dat ze iets toevoegden aan de ideeën die we zelf al hadden. Nou praat ik over mezelf en mijn vader in die tijd. We kregen een keer een uitnodiging van de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst. Die vroeg of ik ergens iets wilde komen vertellen. Want wij waren één van de mensen in de buurt die ook vooruitstrevend waren. Met de gegevens die ze hier opgehaald hadden, gingen ze de buurt in. Toen ze me dat vroegen, overviel ’t me. Wij deden net zoals iedereen. Maar met sommige dingen, zoals huisvesting en welzijnseisen, waren we hier altijd wel een beetje snel. Dat het vee bijvoorbeeld goed verzorgd werd. Dat vonden we wel erg belangrijk. Blijkbaar was dat een reden voor die Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst om mij een keer te vragen om dat aan een heel grote groep te gaan vertellen. En ik dacht: ik doe toch niks aparts. Ook die groep had zoiets van: ja, we kennen jullie wel en we weten wel wat jullie doen.

Die Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst liep hier nogal veel. De koffie zal hier wel goed gesmaakt hebben. Dan zeiden wij wel eens: “Je zou eens zus en zo kunnen doen.” Daar gingen ze dan mee naar de buurman en zeiden ze van: “Zou je niet zus en zou je niet zo?” Ze zeiden niet: “Dat heb ik bij Hiddink gehoord.” Nee, zo werkte dat.
Het waren echt van die gemoedelijke baasjes en ze hadden vaak een fototoestel op de buik, een hele grote Kodakcamera. Dan werd er een foto gemaakt en die stond dan later in het voorlichtingsblad. Ze hebben ook dingen ‘uitgeviegelierd’ waar je je om te barsten lacht als je dat nu ziet. We draaien wel eens oude films en daar zijn we wel eens tegen zulke dingen aangelopen. Hoe konden ze toch in vredesnaam?
Ik heb ook nog een paar oude stukken gereedschap in een museumpje. Daar zijn nog een paar dingen bij die ook door die Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst uitgedokterd zijn. Nou daar sta je echt bij te lachen.

Kijk ook eens op: