Boerenerven: ‘Het was hard werken, maar het was echt wel mooi.’

Lammert Rietman (Geb. 1944)

Het leven van de familie Rietman op boerderij Groot Starink begon met doodsangsten in de Tweede Wereldoorlog. Met vier kinderen die tijdens de oorlog geboren zijn, overleefde de familie deze tijd. Lammert Rietman, een van de tweeling uit ’44, vertelt over het boerenleven van zijn jeugd op het landgoed Hackfort. Het leven bestond voornamelijk uit samenwerken, zowel in het gezin, op het land, bij het dorsen als bij het maken van bogen voor een boerenbruiloft.

Auteur Ans Weevers, beeldmateriaal Peter van Dinther en Jan van de Lagemaat.

Dit verhaal in dialect.

‘Mijn vader en moeder zijn hier in 1940 gekomen.Toen brak meteen de oorlog uit. Ze hadden heel vlot vier kinderen gekregen. Mijn zuster is van ’41, mijn broer van ’42 en ik ben van een tweeling van ’44. Mijn zuster en ik, nog geen drie pond, moesten elkaar in de wieg warmhouden. Geen couveuse of niks. En dat is allemaal goed gegaan. In die tijd waren hier ook de bombardementen waarbij ‘Buitenzorg’ werd gebombardeerd. De spoorlijn werd zo gebombardeerd dat hier alle ruiten uit de boerderij waren. Maar dat hebben we gelukkig allemaal overleefd.

De boerderij was groot, hectares genoeg, koeien, varkens, kippen en akkerbouw. Mijn ouders hadden, ondanks dat er geen geld was,  en knecht en een meid, Dat kon eigenlijk niet, maar dat moest gewoon met vier kleine kinderen. Mijn zuster en ik, vier jaar oud, zaten eens in de grindbak bij het spoor te spelen. Mijn tante die mijn moeder aan het helpen was, kon de trein horen aankomen. Dus mijn tante rende op blote voeten, zo hard ze kon lopen naar de spoorbaan en heeft ons net, niet voor, maar naast de trein weggehaald. Dat zijn allemaal van die dingen, die hoor je dan later. De bruiloft van de buurman was een echte boerenbruiloft.
Mijn vader heeft het bruidspaar met paard en koets naar de kerk in Warnsveld gereden. Onderweg terug naar huis is het paard op hol geslagen. Bij ‘Huize Baank’ in Warnsveld stond een kinderwagen buiten met een klein kind erin, maar gelukkig is het paard daar omheen gelopen. Toen wij om halfvier uit school kwamen ben ik met mijn zuster over het spoor gelopen en zijn we boven op het hek gaan staan. De bruiloft was al bezig, maar wij mochten er pas ’s avonds naartoe.
Voor ons kinderen was dat een grandioos feest. De varkensschuurdeur in en uit en noem maar op. Vanaf een jaar of twaalf ging je voor een bruiloft roosjes en groen maken. Dat weet ik nog heel goed. Dan moest je van de lagere school af zijn, dan hoorde je bij de jongeren en dan mocht je daaraan meedoen. Tegenwoordig hebben ze daar allemaal mooie bogen voor, maar wij moesten het bos in en takken halen. Die bonden we dan zo achter de stoel aan de stoelpoten vast en daar kon je dan het groen aan vastmaken. Dat was altijd een heel werk, een hele avond was je daar druk mee. Borreltje erbij. Soms was het mooi maken nog wel gezelliger dan de andere dag het feest. Mijn vader vroeg dan: ‘Mot wi’j ok weer afbrekk’n?’ De ene keer wel, andere keer niet. Daar kwam dan ook weer een borreltje bij. Zo zullen wij wel aan de drank gekomen zijn. Ik zeg weleens: ‘Noe ha’j geen feesten meer.’

Toen ik met 15 of 16 jaar van de landbouwschool af kwam, ben ik niet verder gaan leren. Je moest meteen aan het werk. Ik ging melk monsteren bij de boeren in de buurt. Je moest ’s morgens om 6 uur bij de boer zijn. Die had ongeveer 8, 9 of 10 koeien die met de hand gemolken werden, ’s morgens en ’s avonds. De koeien liepen dag en nacht in de weide, dat was toen zo. Dan had je weleens van die stortbuien van regen en de mensen waren dan gewoon aan het melken. Het was niet te doen om die boekjes allemaal droog te houden waar je op moest schrijven hoeveel melk een koe gaf. Je had een unstertje [soort weegschaal, red.] bij je en dan hadden ze een driepoot, daar kon dat unstertje aan hangen, en daar hing je de emmer aan. Eerst moest je die emmer leeg wegen. Dat was bijvoorbeeld drietiende kilo, als die koe dan 9,5 op had staan dan trok je die drietiende er weer af en dan had de koe 9,2 liter melk gegeven. Dat moest je dan opschrijven en de andere morgen nog een keer. Je kreeg het gemiddelde van wat die koe per dag gaf. Alle koeien gingen eind april, als het mooi weer was, naar buiten. We hebben zelf ook wel gemolken in de wei, ’s zomers hartstikke droog en die koeien stonden aan de paal. We molken met de hand, en dan krabde zo’n koe een keer met de voorpoot en dan had je de hele emmer vol zand zitten. Toen waren de eisen lang niet zo hoog als nu. Die melk hoef je nu niet meer te leveren, hoor. Dat kun je vergeten. Controle over de hygiëne is heel goed, maar ik zeg ook weleens: je kunt ook wel overdrijven.

Gewoon ouderwets met de stier fokken, dat heb ik tot een paar jaar terug altijd nog gedaan. Toen kreeg ik reuma, de kracht naar de spieren is kwijt. Wij zouden de stal verbouwen, toen moest de stier even weg. Na die tijd dacht ik: ik vind het ook wel goed. Ik had het ook niet meer gekund, je moet voor en achter ogen hebben en je moet wel kracht hebben. Die stier had dan wel een ring in en dan gebeurt er niet veel, maar, dat heb ik weleens gehad met mijn vader, als de stier achteruit liep dan nam hij je zo mee aan de ring. Dan denk je weleens: hoe moet ik die weer in het hok krijgen.
Ik heb er een keer een gehad, ’n jaar of 12 geleden, dat was altijd een hele makkelijke stier. Toen wilde ik hem uitleiden. Hij stond daar in de stal en ik had hem kort bij de ring vast en hij reppelt daar en hij neemt een vlucht. Ik wist niet hoe gauw ik weer terug moest komen. Ik was gelukkig nog niet ver genoeg, maar als ik een stap verder was geweest, dan had hij mij daar tegen de muur platgedrukt.Dat kan ook gebeuren, daar sta je nooit bij stil, maar nu heb ik het dan gezien.

Net voor mijn diensttijd, dus begin jaren zestig, heb ik een paar dagen bij mijn oom gewerkt, op het ouderhuis van mijn vader. Die kon het werk niet helemaal af en toen was er al enorm veel landbouw. Rogge, zeg maar zaad. Oom Johan van Bosmanshuis had aan een kant allemaal zaad. Oom Lammert en mijn vader hadden allemaal zaad, dan weet je wel hoe dat gaat. Je helpt elkaar. Als het weer goed was, dan was je de hele week rogge aan het opzetten. Oom Johan zat op de tractor en dan opa, die was nog zo vitaal, die zat achterop, kijken of dat goed ging met zo’n lange zwengel. Als het niet goed lag, dan moesten we het goed leggen en dan daar een touwtje ombinden. Ze vielen dan zo op de grond. Oom Lammert en ik werkten daar dan en oom Johan had een medewerker, Hennie Helmink, en die moesten opzetten. Dan begon je met drie tot vier rijen op te zetten. Meestal had je er drie, dan bleef het aardig staan, dan schoof je dat vol tot je er een stuk of twintig had staan. Dan dacht je dat het genoeg was, ook niet te ver lopen met die schoof en dan maar weer de volgende. Dat ging dag in, dag uit zo.

Kinderen kwamen wat drinken brengen, want het was meestal ook nog wel 30 graden in die tijd in juli. Dan werd het 5 uur, half 6, en dan moest je melken. En opa, die maaide maar door en als je dan om 8 uur van het melken terugkwam, dan begon het weer opnieuw. Dan lag er weer zo’n stuk, dat weer opgezet moest worden en dan ging je gewoon door tot ’s avonds 11 uur. En dan de andere dag zo weer, ook weer vroeg beginnen. Of bij de één, of bij de ander en dan had je zo’n hele week zo’n beetje opgezet en dan zei mijn vader: ‘Oavermargen goa wi’j maaien’. Zo bleef je wel aan de gang. Nou ja, je bent jong en kunt heel veel, dat weet ik wel. Dan moest het droog worden en daarna weer precies hetzelfde, weer dagen en dagen uithalen. Als het mooi droog was, ging het de hooiberg in. Oom Johan had een tasloods, gewoon onder dak, dus kon je makkelijk neerpakken, maar op de hooiberg moest je nog wel aardig netjes pakken. Had je die kappen erop zitten, moest je netjes binnen blijven. Oom Johan had heel veel zaad en dan moesten er op het laatst een paar mijten op het land gezet worden. Je begint op de grond rond te leggen en dan maak je er een klein bergje van. Geleidelijk aan ook heel iets intrekken zodat het water eraf kan lopen met een mooie punt bovenaan en daar iets gras op. Dat ging ook prima.

Vooral bij het Bosmanshuis moest er gedorst worden en de dorsmachinist was een vurig kereltje. Wij waren met drie jonge kerels, één op de dorsmolen en twee op de mijt. De eersten gooiden naar beneden en dan eraan, dat moest zo snel mogelijk gebeuren. Die dorsmachinist begon al steeds vaker het wit van de ogen te laten zien omdat het hem niet aanstond. Het ging veel te hard en hij kon het stro niet zo gauw verwerken, want achter de dorsmolen stond een pers. Het stro kwam uit de dorsmolen de pers in en het kwam er daarna als baaltjes uit. Dus dat was ideaal. Als de pers het niet kon verwerken kregen wij op de donder dat we veel te hard werkten, veel te hard gooiden met die schoven. Ik vond dat altijd heel mooi, maar ja, dan ben je jong en je hebt die kracht en die energie. Dan kun je dat en dan is dat ideaal als je zo vlot kunt dorsen. Maar je moet wel op elkaar afgestemd zijn. Wij hebben ook vaak meegemaakt dat ze in de mijt even wilden rusten en dan gooiden ze een stuk of tien schoven heel vlot op de molen. Die inlegger kon dat niet zo gauw verwerken, of je gooide hem vast. Dan had je weer even rust.

’s Middags kreeg je eten bij de boer, dat was altijd zo leuk. Zo’n man of acht had je daar. Van die kerels, oude buurmensen kwamen ook wel mee, die moesten het stro verpakken. Bij Bosmanshuis zat je met een man of tien aan tafel. Eerst een borreltje, dat komt ook omdat ze een café hadden, en dan eten. Die machinist praatte graag en die had het bord nooit zo gauw leeg. Die anderen, die boeren, die aten maar door, en die schepten weer op. Dan wilde de machinist opscheppen en dan was de pan leeg. Hij viste altijd achter het net. Al die jaren heeft hij nooit geleerd dat hij iets vlotter moest eten, dan kon hij voor de tweede keer ook nog wat opscheppen. Dat waren hele mooie dagen vond ik, het was wel hard werken, maar het was echt wel mooi.

We praten nu over rogge, maar we hebben ook weleens haver gehad bij mijn oom. Gaat op dezelfde manier: maaien, opzetten, aan hoopjes. Maar eens ging het regenen en het bleef regenen. De haver stond wel een maand op het land. Ik zie het nog zo staan, de hele kop was helemaal groen. Wat doe je dan, je wilt dan toch zien ervan te halen wat ervan te halen is. Een beetje zaad of een beetje stro. Toen het heel mooi weer was gingen we ’s morgens naar het land met een paar man en toen trokken we al die groene koppen eraf. Al die schoven lagen los op het land in de hoop dat het dan daags droog kon worden. Dan had je ’s avonds weer een wagen vol die je binnen kon halen. Het was ook weleens ellendig rotwerk: dan doe je zo je best om goed zaad te verbouwen en dan kreeg je nog bijna niets. Dat was met hooien precies hetzelfde. Je was wel afhankelijk van wat de natuur doet, dat is gewoon zo. Maar aan dat echte dorsen heb ik ook nooit een hekel gehad, dat was wel mooi werk.’

Kijk ook eens op: