Boerenerven: ‘Vroeger werden dingen gedaan omdat ze gedaan werden, punt’

Ben Hiddink (geb. 1942)

Ben Hiddink praat graag en gemakkelijk over vroeger. Hij en zijn vrouw Hennie bewonen een deel van de boerderij waar Ben vroeger de scepter zwaaide. Nu springt hij regelmatig bij in het bedrijf dat zoon Gerrit runt. In één van de schuren heeft hij een verzameling oude werktuigen, zijn museum.

Auteur Margreet Gründemann, beeldmateriaal: Ron van der Duyn.

Zie ook zijn verhaal over de ruilverkaveling.

‘Volgens de historicus Pater Koekoek, die ook dat boek over Baak heeft geschreven, heette ‘t vroeger hier de Leemhutte. Maar zelf wist ik dat niet. Er bestaan wel oude verhalen van boerderijen van de familie, maar die naam is nooit genoemd. Er is een stamboom vanaf 1680. Maar het is niet helemaal duidelijk of die terug gaat tot deze boerderij, of tot een andere boerderij in deze streek waar ook Hiddinks gewoond hebben. Er staat namelijk geen adres in.

Ik ben in 1942 geboren. Het enige wat ik me van de oorlog kan herinneren is dat we aan het eind in ‘45 moesten evacueren. We werden in rijtuigjes geladen en gingen naar familie. Een kilometer of tien verderop. Wij, mijn moeder en de erbij inwonende grootmoeder, moesten evacueren omdat er van hieruit op Zutphen geschoten werd. Zutphen en Warnsveld moesten nog veroverd worden op de Duitsers. De kanonnen van de Canadezen werden achter het huis neergezet. We moesten weg omdat het zo’n lawaai was en omdat het gevaarlijk werd. Maar mijn vader en mijn oom die toen ook nog thuis woonde, mochten thuisblijven om het vee te verzorgen. Er stond een rij populieren in de richting van Zutphen en die hebben ze allemaal onthoofd om het schootsveld vrij te krijgen. Later zeiden mijn ouders: ‘Dat ze ons al die peppels vernield hebt, wie hebt d’r nooit gin vergoeding veur ehad.’

Museum van Ben Hiddink

Wij hadden een rijtuig. Dat werd gebruikt bij ziekte en om naar de kerk te gaan. Ik heb nog foto’s van mijn ouders toen die getrouwd zijn. Bij de kerk in Wichmond met het rijtuig. Dat was in de tijd dat iedereen nog zo’n ding had. Toen er zo zoetjes aan auto’s kwamen werden die rijtuigen achter in de loods gezet. En op een gegeven moment kwam de oudijzerkerel. De kippen hadden d’r op gepoept en
toen moest het ding maar weg, want het werd toch niet meer gebruikt. De historische waarde zag je toen niet, want iedereen had zo’n ding. Die oudijzerkerel die hier kwam, was met de bromfiets. En die spande de bromfiets daar waar het paard normaal liep. En zo is hij ermee op Zutphen aangereden. Spijt kwam pas twintig jaar later, toen ze zeldzaam begonnen te worden. We hadden een stuk of tien koeien. En varkens en wel vijftig kippen. Er werden aardappels verbouwd om in Zutphen te verkopen. We plukten ook een beetje appels en peren in de bongerd om te verkopen. Er werd graan verbouwd, maar ook zaairogge geteeld. Dat was rogge die iets meer waard was. Die kon je dan het jaar daarop weer zaaien en die werd ook verkocht aan andere boeren. Dat moest schoon geoogst worden, dat er geen bijmenging was, en dan werd het gekeurd. Als jongen werd je eropuit gestuurd om brummels te plukken langs de kant van de weg. Die werden dan geweckt en ingemaakt. Dat waren geen emmers vol, maar vroeger werd er niet gekeken naar alle energie die je ergens in stopte. Dat stond in geen verhouding tot het economische gewin, of tot de opbrengst. Vroeger werden dingen gedaan omdat ze gedaan werden. Punt.

We hadden een meid en een knecht. Die meid was voor het voorhuis. Mijn grootmoeder had open tbc en die heeft de hele familie aangestoken. Met als resultaat dat mijn moeder een hele poos gekuurd heeft en ikzelf ook een poos. Drie jaar geloof ik, in Groningen. Ik ben ook in de tweede klas van de lagere school begonnen. Want daarvoor lag ik in een kuuroord. Mijn broertje is eraan overleden, mijn moeder is wel beter geworden. Maar in die tijd was het dus echt nodig dat er een dienstmeid was. Het was hier een hectische boel, want mijn moeder lag in Zuidlaren en daar moesten we ook zo nu en dan naartoe. Ze heeft ook hier thuis gekuurd, in zo’n tentje dat met de zon mee kon draaien. En mijn grootvader heeft in Amsterdam gelegen. Dat reizen ging natuurlijk allemaal met het openbaar vervoer en een heel enkele keer met iemand uit de buurt die al heel vroeg een auto had. Mijn oom was toen nog thuis, maar het was noodzakelijk dat er daarnaast nog een knecht was. Ome Jan heeft toen hier het bedrijf draaiend gehouden terwijl iedereen bezig was beter te worden. Mijn vader en ome Jan zijn niet ziek geworden. De meid hielp met melken, was druk met melkbussen wassen en de gewone was en het eten koken. Ze bakte niet. Er kwam hier een bakker met een grote mand vóór op de fiets. Over zo’n slechte zandweg.

De Walterslagweg was er nog niet. Er liepen meerdere paden naar het zuiden, het noorden en naar het westen. We hadden de officiële uitweg richting Toverstraat. Die was semiverhard met slakken van een ijzergieterij uit Dieren. Die weg vergde veel tijd, want zo gauw er gemotoriseerd verkeer over kwam werden er gaten in de weg gereden. Dat gebeurde trouwens ook wel met de karren. En dan moest dat weer bijgevuld worden. Als er een ogenblik vrij was, dan was je bezig met de weg. Dat werd niet door de gemeente gedaan. De verharde weg is pas gekomen met de ruilverkaveling, in ’62. Die knecht en die meid verdienden maar een schijntje. Kost en inwoning en ook wat kleding. Dat was het dan. Het probleem was die open tbc. Er moest hulp zijn die daarmee om durfde te gaan. Maar in de buurt meed iedereen je een beetje, hè? Want het was echt een heel gevaarlijke ziekte en het heerste hier op veel meer plekken. Ik weet niet of er besmetting van de melk was. Maar ik zou me best kunnen voorstellen dat daar helemaal niet op gelet werd. Er werden wel allerlei voorzorgsmaatregelen getroffen, maar ja…

Bietensnijder (mangelmölle)

Er werd met de hand gemolken tot er stroom kwam. Dat is hier pas heel laat gekomen. Ik dacht rond 1955. We woonden in de zogenaamde onrendabele gebieden. Mijn vader is nog samen met een buurman naar het Provinciehuis geweest. Om te bepleiten dat die onrendabele gebieden ook aangesloten zouden worden op het net. Want je begon al wel te merken dat het een nadeel was dat je de verlichting met zogenaamde ‘stalluchters’ of gasbranders moest doen. Onbegrijpelijk dat er niet veel meer boerderijen in de fik gingen. Je maakte zelf gas met zo’n carbidvat. Als je carbid met de kont in ’t water legt, dan komt er gas uit. Daar was een heel mooi apparaat voor en dat gas werd dan opgevangen. Gas gaat naar boven, dus daar hoefde je niks aan te stuwen. Dat ging zo via de leiding naar zo’n lamp met een kousje. Maar het was onvoorstelbaar hoe donker het was en hoe mensen zich redden konden. Ook in het voorhuis. Hoe oudere mensen met priegelwerk, met haak- of breiwerk bezig waren en de krant lazen. Terwijl je nou zou zeggen: ik zie geen hand voor ogen. Ik was een jaar of veertien toen de elektriciteit kwam. Nou, ik weet nog wel dat ik het hele huis doorrende, aan, uit, aan, uit! Met de elektriciteit kwam er ook waterleiding, in ieder geval een elektrische pomp. Toen moest er ook een puls gemaakt worden om dat water op te pompen. Je pulste zóver tot je goed water had. Op zicht. Later hebben we het nog eens chemisch laten onderzoeken en toen bleek het gelukkig vrij van bacteriën te zijn. Vóór we begonnen te pulsen, hebben we een wichelroedeloper laten komen en die zei: ‘Daar moet het gebeuren.’ Wij vonden dat toen heel spannend, zo’n kerel met zo’n dingetje in de vingers. De eerste trekker kregen we in 1960. Vóór die tijd ging alles met paard en wagen. We hadden twee, drie paarden. Er waren veel meer boeren met meerdere paarden, maar we waren wel ‘eerste boer’ hier in de omgeving.

koekbreker

Kijk, het naoberschap betekende dat je elkaar in goede en slechte tijden hielp. Dat je elkaar niet alleen met werk hielp, maar elkaar ook geestelijk bijstond. Dat klinkt een beetje zwaar, maar je wist dat je niet alleen stond wanneer er iets ernstigs gebeurde. In de praktijk betekende het dat er allerlei dingen waren zoals begrafenissen, huwelijken of andere jubilea, die dan door de buurt gedaan werden. En de buurt bood hulp bij de rest van het werk. Kijk, een boer met meerdere knechten zoals hier, had bij het gewone werk niet zozeer hulp nodig. Maar bijvoorbeeld bij het afkalven van koeien wel. Nou dat vonden wij wel spannend, want dan mocht je midden in de nacht nog wel eens mee naar de buurman. Vóór er telefoon was kwam de buurman aan het venster kloppen: ‘Er mot een koe kalven, ku’j effen kommen?’
Er waren van die karrenpaden. Iedereen had daar een beetje belang bij. Dan organiseerde de ‘eerste boer’ in zo’n streek: ‘Noe gau’w margen de weg opknappen, mo’j allemaolle kommen a’t kan met peard en karre.’ Met de schop en de bats, en de plakhakke: zo’n ding dat krom aan de steel zit. Er waren buren die bijsprongen wanneer mijn vader en mijn oom naar Amsterdam gingen op ziekenbezoek. Ze waren daar de hele dag mee zoet, dat snap je wel. En in mijn jonge tijd heb ik ook ’s morgens een hele poos gemolken bij de buurman die bedlegerig was. Ja, en met grote karweien zoals het dorsen van het graan, dan hielp de hele buurt elkaar. Een man of tien had je wel nodig. Met een dorsmachine moeten veel werkzaamheden gelijktijdig gebeuren. Dat was ook een heel spektakel, want zo’n dorsmachine was nogal moeilijk te transporteren. Dus als die in de buurt was, dan ging die van de een naar de ander. Hier kwam de loondorser, maar in de andere buurt, waar we ook hielpen met dorsen, daar was de machine van de coöperatie. Je begon met het graan dat op de miete of in de berg zat, op die dorskast te gooien. Daar waren er twee mee bezig. En dan stonden op die dorskast één of twee mannen. Die gooiden de schoven in een gleuf van de dorskast. En dan ging dat door die dorskast heen, met razen en geweld. In de dorskast zaten walsen met tanden en die draaiden zo hard dat het zaad er af rammelde. En dan stonden achteraan één of twee man die het graan aftapten in grote zakken, 70 kilo! Het gedorste stro moest ook meteen weg. Dat kwam er aan de andere kant uit. Die kerels van de dorsmachine kwamen in de winter, wanneer het droog weer was. Soms werd in één keer alles gedorst, maar vaak was het zo dat ze even een rondje maakten, want je had stro ook nodig als voerstro en voor strooien. Als je het oude stro op had, dan moest er gedorst worden. Voor dat stro had je ook behoorlijk wat mensen nodig, want dat stro moest weer opgeslagen worden. Bij sommigen moest dat boven in het huis. Dus je had er wel een paar nodig die met balen op de nek naar de schuur liepen. Dan was er één die dat opstak en anderen zaten dan boven in die schuur om ze weer verder op te tasten. Je was blij dat het in de winter koud was. Als je in de hitte in zo’n schuur zat, was dat een verschrikking. De baas van de dorskast keek of alles goed functioneerde, die hield alles in de gaten. Ondertussen werden de riemen gesmeerd. De boer zelf zat meestal bij het kaf. Want het kaf kwam er onder de dorskast uit en dat moest meteen weggewerkt worden. Dat werd ergens in gedaan en naar de kippen gebracht. Het zaad leverde je aan de molen. Dat werd gewogen en dan stond op papier hoeveel graan je leverde. Dat werd verrekend met het meel dat je later afnam.’

Kijk ook eens op: