Boerenerven: ‘Volgens mij waren we toen al echte doe-het-zelvers.’

Annie Smit (Geb. 1919)

Mijn schoonmoeder Annie Smit is opgegroeid als boerendochter op Boerderij “Sessink”, landgoed de Slangenburg. Net na de oorlog trouwde ze met Jan Smit. Zij betrokken boerderij “In de Kempe” in Wichmond en kregen in de jaren erna vier kinderen. Dit verhaal is een bewerking van wat Annie Smit in 2000 zelf opschreef over haar leven als boerendochter en boerin.

Auteur: Annie Smit-Keurentjes/bewerking en beeldmateriaal: André Kaper.

Lees ook het verhaal van Klaas Breunisse, die hierna op de boerderij kwamen.

“Ik ben geboren op “Sessink” op landgoed de Slangenburg, op een uur gaan van Doetinchem. Ook op een uur afstand van Gaanderen, waar we naar Kerk en school gingen. Ons gezin bestond uit Vader en Moeder met negen kinderen. De oudste, dat was Jan en die is Missionaris geworden van de orde van Mill-Hill. Dat is een Engelse orde, die nog steeds bestaat. Dan kwamen er drie dochters: Annie, Wilhelmien, Marietje. Dan weer drie zonen Wim, Gerard en Joop. Toen weer een dochter Trees en weer een zoon Tonnie. Allemaal zijn ze op een boerderij terecht gekomen, behalve zus Marietje. Die kwam in Berg en Dal terecht op de “Volkshogeschool” als secretaresse. Later was ze in Tiel directrice van een verzorgingstehuis “Westhede”.
Tonnie de jongste zoon woont nu al dertig jaar in Canada. Hij is getrouwd met een Belgische vrouw Maria Asmang. Zoals ik al schreef, de jongens kwamen op de boerderij, Wim op “Sessink” het vaders huis, Gerard in Rutten, Joop in Zevenaar en later in Groningen en zus Wilhelmien in Voorst en mijn persoontje werd meegenomen door Jan Smit uit Wichmond, ook een boerderij.
Tijdens de oorlog hebben we wel wat meegemaakt. Maar ondanks alle leed moesten we toch nog dankbaar wezen, dat we veel dingen zoals boter karnen, slachten van vee en het verwerken daarvan, brood bakken, enzovoort, enzovoort zelf konden.

We hadden een hele grote bakoven: een oven die in de muur gemetseld was. En die werd dan warm of liever gezegd heet gestookt met bossen hout van eigen land. Intussen werd het deeg klaar gemaakt voor ongeveer tien broden. Een grote teil: daarin ging het meel, melk en een beetje zout. Dan met de handen mengen tot een grote samenhangende massa. Het deeg werd dan op een rustige tochtvrije plaats gezet, niet te warm, om het te laten rijzen met een doek erover. Het rijzen duurde ongeveer één à anderhalf uur. Na het rijzen werd het deeg op een grote tafel gelegd en werd het verdeeld in tien porties voor tien broden. Toen kwam het moeilijkste werk, maar ook het belangrijkste werk: het deeg beslaan. Dat betekent ook echt even met het deeg slaan. Daar wordt het luchtig en los van. En tot een mooie vorm verwerken, de vorm van het brood. Dit noemen ze nu bij de bakker nog vloerbrood. Krenten of rozijnenbrood werd vaak in een vorm gedaan.
Als het brood klaar was om gebakken te worden, bestreken we het soms nog even met een geklopt ei, een paar figuurtjes, met een mes erover en toen ging het de oven in: baktijd ongeveer één uur. Misschien als men dit leest dat men denkt: kunnen er dan tien broden in de oven. Maar dit waren ovens die waren in de muur gemetseld, vandaar de naam “bakhuus”.
Met een grote spatel, een soort vorm van pannenmes, werden de broden er één voor één ingezet. Het was altijd een verrassing hoe de broden uit de oven kwamen. Even met de vingers onder tegen het brood kloppen en als dat hol klonk, waren ze wel gaar.
Bij ons gebeurde dit vroeger éénmaal in de week en we vonden het altijd een gezellige bezigheid, vooral als we dan allemaal een lekker sneetje kregen, natuurlijk besmeerd met roomboter, een echte traktatie!!
Wanneer de bakoven geveegd werd, zoals dat heette, wanneer de takkenbossen uitgebrand waren, dan bleven er mooie gloeiende kooltjes over en die werden ook weer benut. Ze werden in een hoek geschoven, zoals in een klein haardje. En daar werd dan een pannetje vlees of varkenspootjes op gezet en die werden dan zonder veel kosten heerlijk gaar. Ook werden er als de broden uit de oven kwamen, nog wel geschilde appels of pruimedanten (kwetsen) op trossen ingelegd en dan had je gedroogde “tuttifrutti”. Volgens mij waren we toen al echte “doe-het-zelvers”.

Slachten deden we vroeger ook aan huis. Dat is nu niet meer. We gaan nu naar de slager, daar is alles te kust en te keur. Vroeger was de slager die aan huis kwam ook “huisslachter”. Dat gebeurde in November,dat was de slachtmaand en dat was niet zonder reden. Het was het beste als het koud was. Tegenwoordig kunnen we alles invriezen, maar vroeger werd alles geweckt.
Meestal was er extra een varken voor gemest en soms ook nog een kwart of een halve jonge koe (maar die kwam van de slagerij), want dan kon men lekkerder worst maken. Het varken werd geslacht en met kokend water werden de haren eraf geschrapt. Dan kwam het varken op een ladder te hangen en werd doormidden gesneden. De ingewanden werden eruit gehaald en dan bleef het varken een nacht en een dag op de ladder staan, om af te sterven. Dan kwam de huisslachter weer met een “schone jas” aan, om het mooiste karwei te klaren. Alles werd zorgvuldig afgesneden: karbonaden, ham, speklapjes, ribbetjes, spek, gehakt enzovoort. Dat was ook een gezellige dag: natuurlijk ging er ook een stukje direct in de pan. En de huisslachter ging niet naar huis of hij had een lekker glaasje jenever gedronken, en natuurlijk ook de nodige centjes mee naar huis, met een lekker stukje voor zijn gezin! Nu konden moeder met de hulp en de dochters beginnen met alles te verwerken. Dat ging niet in één, twee, drie: daar hadden we een week voor nodig.
Het mooie vlees, wat je nu bijna iedere dag eet, werd lekker aangebraden en dan ingeweckt ( in plaats van invriezen). Soepvlees werd getrokken, gehaktballetjes gedraaid en ook ingeweckt. Ham en bloedworst werd gemaakt, hoofdkaas, enzovoort. Droge worst, of metworst, werd gemaakt en opgehangen. Dat heette bij ons in de wim, dat waren balken aan de zolder en daar paste die stokken precies in en zo werd de worst gedroogd en dan in de “spekkist”bewaard.
En wat dacht je dat er met de ham en het spek gebeurde? Dat moest gezouten in een pekelbad, wat in de kelder zat. Dat kwam heel precies, de ham moest iets hoger liggen dan het spek, dan kan het zout erdoor pekelen om het goed te houden. Na tien à twaalf dagen was het zout genoeg en nam het geen zout meer aan en dan werd het uit het pekelbad gehaald, flink afgespoeld en ook opgehangen in de wim om te drogen en naar de spekkist gebracht.
De ham bleef meestal gespaard tot het voorjaar, bij ons was dat de gewoonte met Pasen. Dan kregen we die heerlijke ham, gekookt of rauw op zelfgebakken brood: heel lekker!
En wat gebeurde met het spek. Wel, bij de meeste boeren werden er iedere morgen al pannenkoeken gebakken. Niet van die dunne flensjes. Nee, dat was een heerlijk gerezen beslag met karnemelk, gist en gruttenmeel, dat ‘s-avonds al klaargemaakt werd om ‘s-nachts te rijzen. Dat gebeurde in een houten tonnetje, dat heette “het leupen”, en werd maar éénmaal in de week gewassen. In deze pannenkoeken kwam dat heerlijke spek van scharrelvarkens!
Tegenwoordig zou je niet denken aan pannenkoeken als ontbijt, maar dit was zo’n zestig jaar geleden, toen moesten de agrariërs vroeg op. Meestal half zes en dan de weide in om de koeien op te halen en met de hand melken, dan smaakt zo’n ontbijt wel om acht uur – half negen.
Bij ons hadden we een grote keuken, een groot fornuis en dan was het lekkerst de pannenkoek zoo uit de pan op het bord.
Dan hebben we de balkenbrij nog. Wat is dat? Balkenbrij, dat is het kooknat of de bouillon van de lever en de bloedworst. Dat is dan meestal ook het laatste gerecht van de slachterij wat je maakt. De lever en bloedworst zijn gaar gekookt. Dan maak je dat kooknat weer aan de kook, hierin doe je wat kaantjes en uitgebakken reuzel, wat specerijen, anijszaad en, als hoofdbestanddeel, gruttenmeel. Dat is meerdere soorten graan, waarin ook nog de vezels waren gemalen. Dit gaat zoo in het kokende nat. Het meel wordt er met een schoteltje in gestrooid en heel apart, maar er komen geen klontjes. Dan wordt het een heel stijf deeg, haast gelijk in brooddeeg, en dan vijf minuten door laten koken en in een grote schaal scheppen. Als het goed koud is, dan aan mooie plakjes snijden en even lekker in de koekepan bakken. Heerlijk op een stukje roggebrood.
De koude balkenbrij kan men wel een week bewaren op een hoekplaats. Bij ons vroeger slachten wij zoo’n drie keer in de winter; het was veel werk maar we hadden ook weer van alles om op tafel te zetten en we wisten waar het vandaan kwam.

Boter karnen deden we ook zelf. De melk werd aangezuurd in een melkbus, door er een aftreksel van nuchtere kalvermagen in te doen, ook wei genoemd. Als de melk na een paar uur aangedikt was, door het zuur worden, dan kwam er een houten deksel op de melkbus, waar middenin een rond gat zat. Daar ging de stok in, met onderin die stok een soort “hark”, en dan ging men met die stok heen en weer stoten (mixen) in de zuur geworden melk. Dat ging de ene keer wat sneller dan de andere keer en dat noemde men karnen. Zoo nu en dan even in de bus kijken, of de boter al te zien was en ja hoor, de boter scheidde zich van de melk.
Dan werd de boter voorzichtig van de melk gehaald in een grote wasbak, een hele ruime schaal, gewassen in water. Het wassen van de boter was een heel secuur werkje. Toen mijn moeder nog fit en gezond was, was dat haar werkje. Dat gebeurde ook op een bepaalde manier. Ze zette een stoel voor zich en daar stond de schaal met boter in. Dan met een speciale houten lepel werd de boter beetje voor beetje gewassen tot het water helder bleef. Dan hield je een mooie klont boter over. Er werd een beetje zout aan toegevoegd en het zuivere natuurproduct was klaar om, ook nog op het heerlijk eigen gebakken brood, te smeren.

Hoe we in de Noordoostpolder terecht kwamen? Het begon met een telefoontje. Heel onverwacht hadden we Mhr. Verhey, Directeur van de Landbouwschool in Didam aan de lijn. Het was een bekende, vooruitstrevende en geziene persoon, vooral op landbouwgebied. Ook was het een goede bekende van Jan Willem Smit, en ook van ons. Toen was het al een bijzondere regel, als men boer wilde worden, “agrariër”, dan moest men eerst naar de Landbouwschool in Didam. Maar toen kwam de vraag van Mhr. Verhey of we wel naar de Noordoostpolder wilden? Dat was geen vraag om meteen op te antwoorden, we hadden wel van de Noordoostpolder gehoord, maar nog nooit veel over nagedacht. Maar natuurlijk kregen we een ruime bedenktijd. We konden het niet kwijt in onze gedachten, wel of niet naar de Noordoostpolder?
De meeste jongens die boer wilden worden, moesten daar als pionier beginnen. Met de schop en hard werken maar wij konden met een ruiling meedoen.  Een ruiling, dat zat zo. De Landbouw Hogeschool in Wageningen moest uitbreiden en daar moest grond voor onteigend worden. In dit geval was dat de grond van de familie Breunissen, die om een of andere reden liever een boerderij op het oude land wilden. Alzoo kwamen wij in aanmerking voor de polder met nog twee andere landbouwers: de familie Ebbers uit Silvolde, familie Veendrix uit Creil en de familie Smit uit Wichmond, allemaal uit Gelderland.
Toen de namen bekend waren, werd er geregeld gebeld en voor- en nadelen besproken. Dat was te begrijpen! We namen alles in overweging. Het was niet het “ouderhuis”van de vader, maar van papa, Jan Smit, om het even duidelijk op te schrijven. Waar de vader van Jan vandaan kwam, dat was Steenderen. Daar waren ze met drie jongens, Bernard die ging naar Netterden, Jan Willem naar Wichmond en Gerrit bleef in Steenderen.
In Wichmond, waar wij toen 9 jaren woonden, was de boerderij “In de Kempe” van de N.H. Kerk en het plan was toen al genomen om de boerderij te kopen. Toen kwamen er veel punten aan de orde. Onder andere wat voor boerderij kregen we in de polder. Waar moesten de kinderen naar school. Wanneer zouden we er dan heen. We hadden buren waar we heel goed mee konden. En hoe dacht Oma Smit van dit alles, maar dat bleek geen punt. Zij hoorde bij ons gezin, dus ging ze graag mee naar de Polder.
Er waren ook voordelen. Onder andere geen waterramp door overstroming van de IJssel. Dat was voor het grasland niet erg, maar wel voor de tarwe die dan al gezaaid was. In die negen jaren hebben we dat drie keren meegemaakt.
Ook een voordeel, we kregen een nieuw huis. Dat lokt ook. Alhoewel zoo’n oude boerderij, vind en vond Jan ook, heeft ook zijn bekoorlijkheden. Maar als je met de tijd mee wil, moest er toch wel zoo wel op de boerderij als voor in huis wat worden verbouwd.
Of het een voor- of nadeel was dat weet ik niet, maar Papa moest ook nog getest worden: ik herinner het me nog als de dag van gisteren, maar het viel erg mee.
We voelden ons nog jong en we vonden het ook wel een uitdaging! We gingen geregeld eens kijken, met familie of zonder familie. Met Cecile (7 jaar), Eugene (3 jaar) en Helene (3 jaar). Al met al een spannende tijd. Toen we besloten hadden om naar de polder te gaan, werd de boerderij verkocht aan de familie Breunissen uit Wageningen. Volgens mij is dat alles soepel verlopen. En zoo heeft het dan twee jaar geduurd voor alles was geregeld en we gingen dan in het voorjaar van 1954 verhuizen naar de Polder.”

Annie Smit-Keurentjes
Emmeloord, oktober 2000

 

 

Kijk ook eens op: