Boerenerven: ‘In die tijd gingen er geen meisjes naar de molenaarsschool’

Gerrie Kuyt-Vorderman (Geb. 1935)

Gerrie Kuyt-Vorderman is opgegroeid aan de stellingmolen aan het kanaal, in het centrum van Apeldoorn, tussen de Deventerbrug en de Welgelegenbrug. De molen uit 1866 was sinds 1930 eigendom van de familie Vorderman, een molenaarsgeslacht in hart en nieren. Gerrie vertelt met respect over haar ‘opoe’, de weduwe van Johan Vorderman, waar de geschiedenis van de familie Vorderman met de molen aan het kanaal mee begon, en met liefde over haar vader Frits, die er van 1930 tot 1976 molenaar was. Een verhaal over hoe het begon en hoe het eindigde.

Auteur Rita Steenwoerd, beeldmateriaal: Ron van der Duyn en Marianne Jans.

Schilderij gemaakt door H. Logtenberg, 1943 (particulier bezit)
Dhr. Vorderman, 1976

‘Ik heb mijn opoe niet bewust meegemaakt, maar ken haar wel uit de verhalen. Door de buitenwacht werd ze als een strabante, harde zakenvrouw gezien, maar ze heeft een zwaar leven gehad. Haar man was al in 1918, op 44-jarige leeftijd gestorven, waarna zij alle werk alleen moest doen. Ze had negen kinderen, waarvan ze twee meisjes heeft moeten missen. In 1930 kocht ze de molen aan het kanaal om de toekomst van haar zoons zeker te stellen. Zij woonden op dat moment bij de molen op de Anklaar. De oudste zoon Hessel nam het ouderlijk spul over en opoe verhuisde met de andere kinderen naar de molen aan het kanaal. Mijn vader Frits en zijn broer Johan zaten in het begin samen op de molen. Maar het verhaal gaat dat mijn vader na een paar jaar zei: ‘Twee kapiteins op een schip, dat is niet wat’ en toen is ome Johan naar de korenmolen in Terwolde vertrokken. In 1935 trouwde mijn vader met mijn moeder, Geertje Hennekes, en opoe verhuisde met de kinderen die toen nog thuis waren, naar de Molenstraat. Mijn vader was op en top een molenaar, heel handig en ook vooruitstrevend. In 1933 haalde hij de verweerde wieken van de molen en ging verder op olie en elektriciteit. Hij deed veel zelf, zoals het bouwen van silo’s en het scherpen van de molenstenen. ‘Dat verdien je zelf’, zei hij altijd. Het uitkappen van de groeven van de molensteen, met een bilhamer, deed hij ’s avonds en ’s nachts zodat de molen ’s morgens weer kon draaien.

Hij had al vroeg machines die niemand anders had. Zoals een builmachine, waarmee het grove tarwemeel tot bloem werd gemalen. En een trieur, die schoonde het graan; door de verschillende zeven kreeg je pure tarwe, rogge of haver. En het onkruidzaad dat er tussenuit viel, dat kon je weer goed gebruiken voor de vogels. Vader haalde al voor de oorlog diploma’s in voedingsleer en daar was hij heel goed in, vooral in de aparte dingen. Er kwam bij ons op een gegeven moment een meneer Westerhof aan de molen en die noemden we de kippendokter. Die kwam dan met mijn vader overleggen over speciale mengsels met voldoende vitamines en zo, voor de kippen en andere vogels.

Links Hessel Vorderman, rechts Frits Vorderman

We hadden altijd vast personeel en ook volontairs. Dat waren zoons van andere molenaars die praktijkervaring kwamen opdoen. Tegenwoordig zou je ze stagiaires noemen. Die jongens waren dan een jaar lang helemaal bij ons in de kost. Het werk aan de molen was heel zwaar. Sommige mannen moesten vanwege rugproblemen stoppen. Dat was ook niet zo gek, als je bedenkt hoe zwaar die zakken met meel in die tijd waren. Moet je je voorstellen: ik heb het nog meegemaakt, dan had je slakkenmeel, dat zat in hele grote linnen zakken, die wogen destijds 100 kilo. Pas veel later werd dat 50 kilo.

In de oorlog veranderde er veel aan de molen. De vrachtwagen werd gevorderd door de Duitsers, dus moest het werk met paard en wagen worden gedaan. Er was geen dieselolie, dus draaide de molen op een elektromotor. We hadden maar een paar uur per dag stroom en dan kwamen de mensen bij ons om hun accu’s op te laden aan de gelijkrichter, een soort acculader, zodat ze thuis de lamp weer konden laten branden. ’s Avonds tussen half zes en half acht, want om acht uur moest je binnen zijn, stond het bij de molen zwart van de mensen. Dan werden de pakjes gemalen voor mensen uit het westen, die vaak op de fiets met klare velgen of op stukjes rubber bij ons kwamen met rogge of tarwe die ze uit de Achterhoek hadden gehaald. Ook kocht mijn vader zelf graan waarmee hij deze mensen kon helpen. Maar op een gegeven moment ontstond er zwarte handel. Toen hebben het Rode Kruis en de huisartsen gezegd: we doen het anders, we gaan receptjes uitschrijven voor gezinnen met bijvoorbeeld een baby of een zieke moeder, zodat het meel alleen terechtkomt bij mensen die het echt nodig hebben.

Op een zondagmiddag, dat weet ik ook nog heel goed, werd er aangebeld. Mijn moeder ging naar de bel: een jongeman stond aan de deur. Mijn moeder riep mijn vader en op een gegeven moment kwamen mijn ouders met hem binnen en er werd alleen maar gezegd: ‘Dit is Ee en die komt een tijdje bij ons wonen.’ Ee was de zoon van het hoofd van de lagere school aan de Parkweg. De andere dag, op 2 oktober 1944, lag een deel van de groep waar Ee bij betrokken was, doodgeschoten langs de weg. Eén of twee dagen erna zijn de Duitsers met een auto bij ons op het erf gekomen en dat had schijnbaar met Ee te maken. Ik herinner me dat mijn moeder toen een paar dagen heel zenuwachtig was. Dat is ook niet zo vreemd, want ik bedoel, als ze Ee Verhoef ontdekt hadden, dan was mijn vader ter plekke doodgeschoten. Want dat gebeurde destijds gewoon. Tot aan de bevrijding is Ee bij ons in huis gebleven en we hebben nooit gevraagd: wat doet hij hier?

Dhr. Vorderman, 1976

In een silo hadden we stiekem een radio, waar mijn vader en de jongens die aan de molen werkten en ook mensen uit de buurt, naar Radio Oranje luisterden. In die silo’s doken ook mensen onder als er een razzia was en soms hadden we een paar dagen evacuees. Dat kon allemaal bij ons thuis. De bevrijding en de dagen daarvoor staan me nog helder voor de geest. Op een vrijdag moest ik van mijn moeder, samen met mijn buurjongen Gé Thijssen, naar bakkerij Van de Spek toe om broden op te halen. Het was toen al rumoerig, de Duitsers begonnen zich terug te trekken. Op de terugweg hoorden we het al knallen. De eerste granaat kwam terecht in de gashouder bij de gasfabriek. We waren zó bang, we zagen de gashouder gewoon de hoogte in gaan! Mijn ouders waren intussen bezig om plek te maken in de molen, omdat we niet meer in huis konden zijn; voor ons, maar ook voor mensen uit de buurt. In de molen was het veiliger, de muren waren op een aantal plekken wel vijftig tot zestig centimeter dik. De voor- en achterkant werden vol gelegd met zakken, op zo’n manier dat er niet tussendoor geschoten kon worden. Zo hebben we in de molen de bevrijding afgewacht. Op de ochtend van 17 april 1945 kwamen Eef Elferink en zijn zwager Wim Spijker de molen inlopen, ik zie ze nog zo tussen de zakken doorlopen, dat vergeet ik nooit, en die zeiden: ‘De Canadezen zijn er, de Canadezen zijn er! Wij zijn vrij!’ En toen wilde iedereen naar buiten natuurlijk. Mijn vader waarschuwde eerst nog: ‘Jongens, pas op, pas op’, want er konden nog Duitsers verscholen zitten. Maar uiteindelijk stond iedereen aan de weg.

Toen we na de oorlog wel eens een eindje gingen fietsen, dan kwamen we soms mensen tegen die tegen mijn vader zeiden: ‘Dag mijnheer Vorderman.’ Dat vonden wij als kinderen zo apart, want iedereen noemde mijn vader altijd gewoon Frits. Maar dat waren waarschijnlijk mensen die mijn vader in de oorlog geholpen had. Men heeft later wel eens tegen mij gezegd: ‘Je vader had wel een lintje verdiend voor wat hij in de oorlog allemaal gedaan heeft.’ Maar ik denk dat hij dat niet zou hebben aangenomen. Hij vond: dat doe je gewoon.

Ik kwam met vijftien jaar van school en je had toen niet te kiezen, je kwam gewoon thuis. Dat gold voor mij, maar ook voor mijn jongere broers en zusjes. Daar werd niet over gesproken, dat sprak in die tijd vanzelf. We kregen geen loon, hooguit een ‘verbreed zakgeld’. Joop en Dick hielpen op de molen en deden allerhande technische klussen. Reinie deed jarenlang het kantoor, Geertje werkte in de winkel waar we graan verkochten, en ik bracht bestellingen weg, met de vrachtwagen. Vrachtwagen rijden was best bijzonder voor een meisje in die tijd. Ik heb de politie best wel vaak achter me aan gehad. Ik mocht eerst ook geen lange broek aan van mijn vader. Mijn moeder liet de stofjassen voor mij, bij Van Engelen, wat langer maken. Maar op een gegeven moment, ik was toen 19, dacht ik: je kunt me nog veel meer vertellen papa, maar ik trek nou wel een lange broek aan. Ik had heel graag het vak van molenaar geleerd. Ik had wel een middenstandsdiploma, maar in die tijd gingen er geen meisjes naar de molenaarschool. Ik vond het werk aan de molen prachtig om te doen, het was eigenlijk mijn alles, maar ik mocht de jongens niet in de weg zitten.

Mijn jongste broer, Dick, heeft van meet af aan gezegd: ‘Ik word geen molenaar.’ Maar Joop wilde wel. Die is eind jaren 60 met zijn vrouw in een noodwoning op het terrein achter de molen gaan wonen. Mijn ouders kochten een huis, twee huizen verderop aan het kanaal. In 1970 kreeg mijn moeder een reeks van hersenbloedingen en ze raakte linkszijdig verlamd. Joop met zijn vrouw namen het werk aan de molen over en mijn ouders zijn toen verhuisd naar het nieuwe huisje. Mijn vader was nog wel eigenaar van de molen, maar hij werkte niet meer mee. Na vier jaar bleek dat Joops hart meer bij de expeditie lag en in 1974 verliet hij de molen vrij plotseling. Papa heeft toen met hulp van kinderen en schoonkinderen de molen nog tot 1976 draaiende gehouden. Toen was hij inmiddels 71 jaar en zag hij het toch niet meer zitten om ermee door te gaan. Het was een heel moeilijke beslissing, maar hij zag geen andere uitweg. Als wij een zoon hadden gehad, dan had ik waarschijnlijk tegen mijn vader gezegd: zullen we samen doordoen? Maar dat was niet aan de orde. In 1981 is papa plotseling overleden, hij was toen 76 jaar. We hebben vaak tegen elkaar gezegd: we zijn blij dat de molen tot het laatst toe zijn eigendom is geweest en dat we papa de molen niet af hebben hoeven nemen.

Kasboek van vader

Maar na zijn dood ontkwamen we er niet meer aan om de molen te verkopen. Mijn moeder kon zich door die verlammingen niet meer zelf redden en moest verzorgd worden. Daarvoor moest het vermogen worden aangesproken. Toen is in 1982 het hele terrein met molen en woning verkocht aan Garage Bakkenes in Apeldoorn. We hadden nog wel een stille hoop dat de molen bewaard zou blijven, maar op 30 juli 1983 – ik weet het nog precies, het was een zaterdagochtend – toen kwam ik bij mijn moeder in het verzorgingshuis en daar trof ik twee immens verdrietige vrouwen aan: mijn moeder en mijn zusje Geertje. Geertje vroeg aan mij: ‘Ben je al bij het kanaal geweest?’ Ik zeg: ‘Nee, wat is er dan?’ ‘Nou, de molen is omgetrokken’, zei Geertje toen. Dat was de avond ervoor, stiekem, gebeurd. Mijn man zei ’s avonds direct tegen mij: ‘We gaan er heen, want anders kom je er niet meer.’ Dan zie je daar die hele puinhoop liggen. Muren van 60 cm dik. Ze hebben er gaten in gemaakt om hem om te kunnen trekken. Alle kettingen, die ze erop kapot getrokken hadden, lagen erbij. Daar lag het werk van mijn vader. Ik kwam er later nog wel eens en dan sta je daar, er was niks meer. Alleen de eikenboom, die staat er nog. En er komen ieder jaar nog lathyrusjes op, van die houdbare lathyrus. Ik zie nog zo voor me hoe papa die indertijd om de eikenboom heeft gepoot. Die mooie herinneringen kan niemand mij afnemen.’

Kijk ook eens op: