Boerenerven: ‘Je stond er als kind toch met je neus bij.’

Bertha Dorrestijn – Semmelink (geb. 1921)

Bertha Dorrestijn-Semmelink werd begin jaren twintig geboren op een boerderij vlakbij Doetinchem. Ze groeide op in een gezin van acht kinderen. Haar ouders hadden een grote en een kleine knecht en een grote en een kleine meid. Ze vertelt over haar jeugd en over het leven met Steven Dorrestijn op de boerderij in Renkum waar het anders toeging dan in Doetinchem.

Auteur Jeanne van Poppel, beeldmateriaal Jan van de Lagemaat.

Lees het verhaal van haar man.

‘De boerderij van mijn ouders lag acht kilometer achter Doetinchem en het was hun eigendom. Onze familienaam was Semmelink. De boerderij was aanvankelijk groter, maar door vererving hoorden delen van het land er niet meer bij. Ik verbaasde me er als kind over dat stukken land dezelfde naam droegen als ons huis. De boerderij was een gemengd bedrijf met koeien, varkens, kippen, paarden. Het was een voorbeeldbedrijf en modern ingericht. We hadden al in de jaren twintig waterleiding. Ik herinner me in de schuur een hele grote scheepsmotor van Stork, die was van koper, prachtig. Deze motor gebruikten we om de dorsmachine te laten draaien. De dorsmachine had een grote pijp die door de schuur naar buiten stak. Er hingen hele lange brede riemen aan, die kruislings omhoog liepen en daarna weer terug. We hadden een maalmachine voor het graan, een brokkenmachine voor het koek-breken. Ik herinner me dat wij als kinderen de hakselmachine wilden gebruiken voor het inmaken van bonen, snijbonen of andijvie. Dan hoefde je niet alles met de hand te snijden, want we moesten voor de winter altijd heel veel vaten inmaken. Maar dat mocht natuurlijk niet, want het was daarvoor niet schoon genoeg.

Ons huishouden was in die tijd uitgebreid met vast personeel. Wij hadden een grote en kleine knecht, een grote en kleine meid én acht kinderen. Het personeel was dag en nacht in de kost. Ze aten met ons mee en wij zorgden ook voor het wassen en verstellen van hun kleding. Mijn moeder zei weleens dat er wel één man personeel nodig was voor het onderhoud van de kleren. Elke dag was er dus een hele grote pan met eten klaar. Eten dat mijn moeder in de groentetuin verbouwde. Zij was een echte tuinvrouw, zij pootte alles zelf en begon ’s morgenvroeg op tijd met haar werk. Zij had weleens half mei de kroppen sla al in de tuin. Mijn moeder ging helemaal op in dit werk, zelfs zo dat de grote dienstbode met ons mee ging naar de kapper, want dat deed zij niet.

De boerderij staat er nog, maar de bongerd verdween. In de bongerd stonden alle soorten fruit. Mijn vader kende de namen van alle appelbomen. We moesten appels plukken en mijn vader zette voor ons de ladder op. Wij plukten heel voorzichtig de pruimen met de steeltjes er nog aan vast. We hadden ook allerlei bessen in de bongerd. Diverse soorten rode bessen, zwarte bessen en kruisbessen. En ook kwetsen. Kwetsen in zoetzuur vond ik altijd super lekker. Mijn vader teelde ook diverse soorten aardappelen, waarvan hij de smaak testte. Mijn moeder kookte daarvoor de aardappelsoorten in aparte pannetjes zonder zout om te proeven welke het lekkerste waren.

Het slachten van een varken was heel gewoon bij ons op de boerderij. Ik herinner me dat het varken aan de ladder hing. Je stond er als kind toch met je neus bij. Het slachten van een varken voor eigen gebruik ging nog heel lang door. Het was in die tijd je eigen voedselvoorziening. We zoutten het vlees in en plaatsten het in kelder. Daar was het koud. Na een bepaalde tijd haalden we het vlees eruit, want het werd als maar zouter als het te lang in het zout bleef liggen en droogde dan uit. De sappen trokken uit het vlees, dat daardoor minder smakelijk proefde. Bij spek was dit niet zo. Als spek in het zout gelegen had, was het klaar. We zetten het vlees eerst nog vierentwintig uur in het water, voordat we het gebruikte. Anders kreeg je pekelstamppot, zo zout. Of in karnemelk, dat kon ook. Naast het inzouten, rookten we ook het vlees en spek. We deden dat in een speciaal hokje op het erf. Het gebeurde dan weleens dat het hele varken de volgende dag gestolen was.

We karnden de melk, maar in een hete zomer had je niet de mogelijkheid om te koelen. We deden de melk toen nog in bussen en zetten de bussen in de kelder in een regenput. Maar daar was het niet altijd intens koud. Dus als we melk nodig hadden, was het weleens zuur, maar we gooiden de melk niet weg natuurlijk: het moest gebruikt worden. Wij probeerden er boter van te maken, maar dat lukte vaak niet en dan maakten we er wrongel van, een soort dikke melk. We bakten één keer per week brood. In de zomer bij mottig weer sloeg dat brood weleens een beetje uit. Daar deden mijn ouders niet moeilijk over, maar we hoefden het niet op te eten. Ze sneden het er gewoon af onder het motto van: “Als je alle kruimels voor iemand weg neemt, struikelt hij nooit.”

Voor de oorlog ging de grote was van het huishouden naar de wasserij. De was kwam dan wel gewassen terug, maar zat nog volop in de kreukels. Het mangelen deden we dan thuis zelf. Ik herinner me van na de oorlog dat kleding nog met de hand gewassen werd. Enkele mensen hadden een wasmachine die je zelf moest draaien. Het was nog gewoon de witte was te koken in een grote kookpot en een teil met een wasbord te gebruiken. In de oorlog kostte het wassen heel veel moeite. Zeep was er bijvoorbeeld niet meer. Het naaiwerk en het verstellen van kleding deden mensen veel zelf. Ik herinner me dat wanneer wij als kind een nieuwe jurk lieten maken we drie winkels langs gingen om stalen met stoffen te halen. Dat is nu niet meer denkbaar. In de oorlog had je zelfs nog geen eigen draad en naald. Voor oudere naaimachines was er vaak alleen maar garen in de kleuren zwart en wit te krijgen. Zwart voor de werkkleren en wit voor andere kleding.

De oorspronkelijke boerderij Klein Amerika, die is afgebrand in 1944

Je had niet altijd de mogelijkheid om naar je eigen ouderlijke buurt te gaan. De afstanden waren groot en er zat natuurlijk een prijskaartje aan als je zelfstandig was en personeel had. Ik herinner me dat in mijn familie het personeel of de zoon ’s ochtends voor het vertrek het paard en wagen poetsten. Het tuig was al op een andere dag schoongemaakt. Bij mijn ouders thuis gebeurde dat meestal op de zaterdag. Hoewel mijn ouders 8 km van de stad woonden, zagen zij deze afstand niet als belemmering. Mijn ouders stimuleerden ons te leren. Ze zeiden niet van je kunt er niet gemakkelijk komen. Nee, het was van: “Loop eerst maar zes km, en dan ga je met de tram naar Zutphen.” Dat was in die tijd een uur of zo. “Daar ga je naar de cursussen toe.” In de omgeving van Renkum waren er ook onderwijsmogelijkheden zoals in Wageningen of Ede. De afstand was niet zo groot. Je kon met de fiets naar Bennekom en dan met de trein verder. Er was ook een tram van Arnhem naar Utrecht. Het was ook een kwestie van houding: deed je het wel of deed je het niet. Het viel mij op dat in deze streek, zo vlakbij Wageningen, mensen vast hielden aan hoe bepaalde zaken uitgelegd werden in hun godsdienstige stroming. Ze namen vaak uitleg voor waar aan en dat beperkte je in de eigen ontwikkeling vond ik.

In dit buitengebied woonden mensen uit allerlei provincies of andere delen van Gelderland bijvoorbeeld uit de Zuid-Hollandse eilanden, Utrecht, de Betuwe. Door de wisselingen van pachtboeren voor de oorlog kwamen mensen overal vandaan. Het sociale leven verschilde met de streek waar ik vandaan kwam. Mijn man was hierin ingegroeid, maar ik moest hieraan wennen. Ik merkte dat aan kleine dingen in het omgaan met elkaar zoals bij onverwachts bezoek. Het was meer van kom niet aan mijn erf, dan het simpel verwelkomen. Dat miste ik in het begin.

Veel mensen in Renkum werkten bij de papierfabriek. Vaak hadden ze een grote moestuin en een varkentje achter het huis, waar het keukenafval naar toe ging. Ze lieten het varken slachten bij het slachthuis en met een klein transportkarretje vervoerden mensen het varken daar naar toe. Van die tijd herinner ik me dat er soms wel vier of vijf bakkers die in één straat kwamen. Later veranderden de bakkers deze verdeling. Voortaan kwam er één bakker per straat en dat was voor hen veel voordeliger. Ik kocht een of twee keer per week brood bij de bakker. Naast hun werk bij de papierfabriek wilden mensen graag wat bijverdienen. Als losse krachten werkten zij op deze boerderij wanneer dat nodig was, zoals bij het uitdunnen van de voederbieten. Door andere teeltmethoden nam dit handwerk af. Eerst kwamen bij wijze van spreken van de tien zaadjes er maar drie op. Later kwam ieder zaadje op.

Wij gingen op dit land meer aardappels telen in de periode dat het aardappelmeel opkwam. Ook richting Wolfheze werden toen meer aardappels verbouwd in plaats van granen. Bij het machinaal oogsten van aardappelen maakten we mee dat er veel stenen in het land zaten. Veldkeien, groter en kleinere. Het gebeurde wel dat er een aardappelraper moest stoppen omdat er iets ontzet was door een grote veldkei.
De Airborneweg heette vroeger de “Plaggeweg”. Daar staken de mensen uit het dorp plaggen. Plaggen voor de stal van het varken of voor in de tuin. De bovenste grond schepten ze eraf en daardoor was die grond zo pikzwart. Als je verderop kwam in Wolfheze was de grond er vrijwel niet afgeschept. Dat was heel andere grond. Toen de golfbaan aangelegd werd zeiden we weleens tegen elkaar: “Hoe is het mogelijk, dat ze zoveel grond op de kop zetten?” De teeltaarde op dit land was maar klein en daar onder kwam het witte zand. “Dat zullen ze nooit meer goed krijgen.” ’

Kijk ook eens op: