Boerenerven: ‘Speelgoed was er vroeger wel wat, maar niet zoveel’

Anne Pardijs-Wuestenenk (geb.1930)

Anne Paradijs is geboren op boerderij het Wuestenenk op het Wuestenenk. Ze vertelt over de was die een paar dagen in de week moest staan en de slacht waarbij alles ingemaakt moest worden. Maar ook over speelgoed, zwemmen in de beek en over onderduikers heeft Anne Paradijs nog veel te vertellen.

Auteur Ans Weevers, Beeldmateriaal Ans Weevers/Peter van Dinther.

Dit verhaal in dialect.

‘Mijn ouders zijn getrouwd in 1929. Ik ben geboren in 1930 op de boerderij het Wuestenenk op het Wuestenenk. Sommigen dwalen dan af en zeggen zo en zo, maar het is Wuestenenk op het Wuestenenk, van geslacht tot geslacht ging dat. Er was daar nog een opa, twee ooms en een tante en er waren nog zoveel zusters, die zijn naar het kasteel gegaan om in de keuken te werken.

‘s Morgens tegen half zes moest m’n vader het bed uit. Melken en de varkens, kippen en nog wat jongvee voeren. M’n vader had nog twee stieren op de deel staan, voor de vereniging en voor hemzelf en dat moest allemaal wat hebben. Hij had een knecht – een meid nog niet; de zuster van mijn vader die was er nog en die hielp ook mee. Was het melken klaar, dan moesten de bussen naar de weg. Daarna het melkgerei afwassen met warm water, dat moest eerst warm gemaakt worden op een kachel. Het ontbijt bestond uit brood of pannenkoeken. De meid ging helpen in het voorhuis, afwassen en verschonen en schoonmaken. Tegen tien uur kwamen ze allemaal koffiedrinken. In het eerste kopje mocht suiker, in het tweede kopje niets. Later op de dag gingen ze de tuin in, ze hadden een moestuin, alles moest verzorgd en later ingemaakt worden, zoals bonen en snijbonen. Sla, spinazie, koolsoorten en wortels hoefden wij niet in te maken. De bloemen moesten ook verzorgd worden en de heg moest geknipt. Slachten vond ik heel vervelend. Niets ging er weg, alles moest ingemaakt worden. De worsten hingen ze boven in de zolder. Ze moesten worden opgehangen om te drogen. Sommige mensen staken ze ook wel in het zout. Een heleboel vlees moest ik braden in een fornuispot. Dat ging daarna in weckflessen. Later kwam de diepvries, toen was ik het huis al uit. Toen werd alles wel heel anders, alles was voortvarend.

En dan wassen, onderhands, hè. Eerst deed moeder water in een grote ton, daar moest de was dan een paar dagen in de week staan. Dan ging het naar de schuur toe, dat heb ik later ook veel gedaan. Dan moest de fornuispot aangemaakt worden, met van die takken onderin deden ze dat. Ze staken die aan en dan moest de was bovenin koken. Daarna moest het op de bleek, dat weet ik nog, en dan weer afspoelen met gewoon water. Daarna met water met blauwsel er in en dan ophangen. Dat blauwsel maakte het witgoed helderder.

Tegen twaalf uur was het eten klaar. Opa ging daarna wat rusten. Dan moesten we stil zijn, maar daar was ik te klein voor. Als ik viel, bleef ik liggen schreeuwen. Ik kan me nog herinneren dat ik daar lag te schreeuwen en dan kwam mijn opa me opbeuren. Toen zei mijn vader: ‘Dat mo’j niet doen, ze kan best allene op stoan’. Maar dan deed hij dat toch weer, ik was vier of vijf jaar, denk ik.
’s Middags ging de knecht het land op, er moest van alles gebeuren. In de herfst eerst rogge zaaien, dat was voor de winter. Knollen zaaien, knollen plukken, en suikerbieten, die moesten dan geplukt en ingekuild worden voor de winter. Dan hadden de koeien suikerbieten en brokken.

Als ’s avonds het eten op was, dan moest alles weer gemolken en gevoerd worden. Ook moest er afgemest worden, dat deden ze achter de koeien langs. Daar was zo’n gleuf en er was ook een afvoer voor de urine. Dat had mijn vader zo gemaakt dat dat niet meer met de greep hoefde. Handig, ja, hij was goed bij, laten we dat zo maar zeggen, dat deed niemand zo. De varkens afmesten deden ze geloof ik wel met de greep. Ze zetten er een kar achter en dan moest dat naar het land gebracht worden. De knecht moest dat later uitstrooien. Voor de bemesting was dat. Later kwamen de meststrooiers, dat was na de oorlog. ’s Avonds met de koffie deden we wat spelletjes of zaten we bij elkaar. De radio was er toen ook al.

Wij als kinderen moesten eerder naar bed dan de volwassenen. De bedstee was er wel, maar die heeft mijn vader eruit gehaald. Dat is gewoon een kamer geworden met een hangkast. Er waren ook een paar andere kamers, wel gewoon met bedden met stromatras. Twee keer in het jaar moesten de stromatrassen verschoond worden. Het stro, in plaats van matrassen, moest dan opgeschud worden en schoon stro werd toegevoegd. Later werd dat platter, en moest je er de hele winter of de hele zomer mee doen, maar daar zat wel een bed bovenop. Het stro lag er los onder, op de planken van de grond af, zodat je er onder kon schoonmaken. Ongedierte zat er niet in, dat was wel allemaal zo nagekeken. Later kwamen er andere matrassen, geen stromatrassen.

Toentertijd was er geen kleuterschool. Ik ben met zeven jaar pas naar school gegaan. Wij moesten altijd lopend naar school. Toen ik twaalf jaar was, zei mijn vader: ‘I’j mot moar van die schoole af goan, i’j leart doar helemoal niks’. Dat was ook zo, sommigen gingen door tot veertien of zoiets. Toen ben ik er afgegaan. Ik ben naar Zutphen naar school geweest, een paar jaar, maar de oorlog werd zo erg, dat de school gesloten werd. Na de oorlog ging het wel verder, ik mocht weer terugkomen. Maar toen zei mijn vader: ‘Noe mo’j moar ‘s ‘n vak goan lear’n’. En je luisterde, dat deed je. Toen was ik zeker veertien of vijftien en toen ben ik naar de vakschool gegaan in Zutphen. Daar waren allemaal meisjes. Die school staat er nog, dicht bij de Walburgkerk. Een jaar of drie heb ik daar op school gezeten. Ik heb er een diploma gehaald en heb er van alles geleerd. Wat handwerken, of wat naaien, dat doe ik nog. Als de kleinkinderen komen zeggen ze: ‘Even naar oma, die weet dat wel’. Nu gebeurt dat zo niet, hè. Maar daar komen ze wel op terug, zelf breien of naaien, omdat alles zo duur is. Dat kunnen mijn kleinkinderen wel, ja, mijn kinderen ook.

Van school af, kwam ik thuis. De dienstbode ging weg en de knecht was weg en mijn broer ging ook het huis uit. Toen moest ik melken. Ik wilde zo graag een horloge hebben en zeurde daar steeds om. Mijn vader zei: ‘As i’j goed melken kunt, al die koeien uutmelken, dan mag i’j ‘n horloge hebben’. Dat kon hij tegen mij wel zeggen, ik had het al gauw onder de knie. In die tijd waren het vijftien koeien en dat vonden ze toen al veel.

Ik had nog een broer, die is overleden met twaalf jaar, daar hebben mijn ouders natuurlijk vreselijk aan geleden, dat weet ik. Hij was ziek, had een hartprobleem, daar werd niets aan gedaan, dat kon niet, toen in die tijd. Hij ging altijd met Gerard naar de lagere school, dat was familie. Hij zei dan: ‘Ik heb toch helemoal geen zinne noar schoole te goan’. ‘Oh nee’, zei Gerard, ‘ik goa ok niet noar schoole’. En dan ging hij niet, hij deed het niet. Mijn vader bracht hem weg, was hij dan op de speelplaats en was mijn vader weg, dan ging hij meteen binnendoor, het zandpad op naar huis. Hij was nog eerder thuis dan mijn vader.

Speelgoed was er vroeger wel wat, maar niet zoveel. Wij hadden een wiel van een fiets, dat je overeind kon houden met een touwtje, en ballen en touwtjespringen, of hinkelen, van die ouderwetse spelletjes. Ruimte zat, maar je deed dan ook wel dingen die niet mochten, daar zeiden ze niets van. ’s Maandagsmorgens moest ik wassen, de hele dag in dat washok. Alles opruimen en ’s zaterdags moest alles gepoetst worden, de klompen moesten geschuurd en buiten moest geharkt en geschoffeld worden, dat deed ik allemaal. Ik was volop in touw. Toen de oorlog was afgelopen, werd dat allemaal anders. Er moest een tractor komen, twee paarden moesten weg. Tractor rijden heb ik wel gedaan.

In de oorlogsjaren mocht je ’s avonds na 8 uur niet op de weg, alles moest donker zijn, zwart papier voor de ramen, geen streepje licht mocht er naar buiten komen. Wij woonden vlak bij het dorp. Mijn ouders hadden wel eens onderduikers. Als er een razzia was, kwamen wat jongens uit de buurt waarschuwen. Dan gingen de onderduikers het bos in, daar hadden ze een klein hokje staan. Dat hebben de Duitsers nooit ontdekt, maar het was zeker gevaarlijk. Het bruggetje hebben de Duitsers weggehaald en hebben ze een eindje verder het bos in gesleept. Na de oorlog liepen mijn broers daar naartoe en toen hebben ze die brug daar gevonden. Maar die was helemaal kapot, dus die echte brug is er niet weer gekomen. Dat was een houten brug. Nu ligt daar een stalen brug, die hebben ze uit Brabant gehaald, maar hij ligt niet op de plek van toen.

Zwemmen in de beek mochten wij niet, vanuit het dorp gingen er wel wat kinderen heen. Wij mochten weleens bij dat bruggetje kijken, ‘t Wuestenenks vonder. Wij mochten daar het water niet in, maar dat water was ook niet schoon. Het zwembad was er wel, maar dat kostte dan wat. Zwemles hadden wij op school niet. Gymnastiek wel, dat was in het broodlokaal. Wat lopen en wat oefeningen moesten wij doen. Gymnastiekvereniging Sparta bestond al wel, ik ben er niet bij geweest, maar die bestaat nu niet meer. Je ben jong en wilt tussen de mensen zijn. Ik ging daarom vroeger ook wel dansen, naar de meisjesclub en later naar de ‘Plattelandsvrouwen’, daar ben ik altijd bij geweest, nu nog. Dat is nu ‘Vrouwen van nu’. Je spreekt zo andere mensen. Maar nu zijn het allemaal dorpse mensen, van buitenaf gaat er haast niemand meer.’

Kijk ook eens op: