Boerenerven: ‘Je moest erom denken dat je niet met het een of ander in die eenmansgaten kwam’

Steven Dorrestijn (Geb. 1921)

Steven Dorrestein Steven en Bertha Dorrestijn zitten in de keuken van de boerderij aan de Klein Amerikaweg in Renkum, waar Steven al vanaf 1937 woont. Een rode boerenzakdoek siert de keukentafel. Op het erf staat een wit bakstenen gebouwtje, de noodwoning, gebouwd na de oorlog. Steven vertelt over het pachten van boerderijen, over zijn jeugd en in in het bijzonder over wat er in september 1944 met deze boerderij gebeurde.

Auteur tekst: Jeanne van Poppel, Beeld: Jan van de Lagemaat.

Lees het verhaal van zijn vrouw.

‘Dit land was vroeger heide. Timmer ontgon begin twintigste eeuw met zijn zoons dit gebied. Timmer had zeven of acht zoons, die naar Amerika wilden gaan, maar hijzelf wilde daar niet naartoe. De jongens kozen daarna ieder hun eigen weg. Vanaf die tijd heette deze weg de Klein Amerikaweg. Zo ging het verhaal.

De oorspronkelijke boerderij Klein Amerika, die is afgebrand in 1944

In de tijd van mijn ouders verhuisden boeren vaak na een periode van zes jaar pachten, want er was nog geen pachtwet. Die wet kwam in 1933, eerst als een zogenaamde crisispachtwet. Mijn vader was geboren op een boerderij in Achterberg, die mijn grootvader pachtte. Na zes jaar moest mijn grootvader verhuizen en maar zien waar hij terechtkwam. Zelf pachtten mijn ouders vanaf 1919 de boerderij De Beken bij landgoed De Keijenberg. Zij woonden daarvoor in de Achterhoek. De een in Zevenaar en de ander in Doetinchem. De landheer van De Keijenberg lette op alles wat er op het bedrijf gebeurde en daarom solliciteerde mijn vader naar deze boerderij aan de Klein Amerikaweg. Deze boerderij van een stichting uit Amsterdam kwam vrij, omdat de zittende pachter het niet kon bolwerken en de eigenaren de pacht niet verlengden. We verhuisden met ons gezin in 1937 naar de Klein Amerikaweg. Ik was toen zestien jaar en had twee zussen. Deze boerderij was vijftig hectare groot en we verbouwden in hoofdzaak rogge en haver voor de paarden. Het werk op het land deden we met paarden. We hadden er vijf, maar die werkten niet het hele jaar door op de boerderij. Na één jaar besloot mijn vader een trekker te kopen. Voor het voer van de paarden waren naar verhouding teveel hectares van het land nodig. Onze buren hadden al eerder besloten tot de aanschaf van een trekker.

We hadden één man vast personeel en in de oogsttijd werkten we ook met extra personeel. We hadden een zelfbinder, maar het oogsten was merendeels nog handwerk. We zetten met de hand het stro op en laadden het op de wagen. Ik ging in die periode één dag in de week naar de lagere landbouwschool. De rest van de tijd was ik thuis en werkte mee. ’s Morgens begon ik met het melken van de koeien en daarna ging ik naar het land. Ik deed allerlei werkzaamheden, afhankelijk van het jaargetijde, zoals ploegen, zaaien of oogsten. De trekker gebruikten we voor het zware werk. Wel hielden we nog een paar paarden voor het lichtere werk, zoals het zaaien. Ik liep vaak achter de paarden door het losse zand, maar toen de machines kwamen vond ik dat toch leuker. Er stonden in die tijd geen struiken op de akkers, maar wel langs de Telefoonweg. Dat was toen een zandweg die naar de Buunderkamp en naar Wolfheze ging. De akkers waren in kleinere stukken verdeeld, want de paarden konden lange stukken niet volhouden. Over de weggetjes tussen de akkers haalden we met paard en wagen het graan of de aardappelen van het land af. Op de boerderij De Beken van De Keijenberg hadden we elektriciteit, maar op deze boerderij aan de Klein Amerikaweg niet. Het was een hele omschakeling om weer met gaslampen of petroleumlampen alles te verlichten. Deze periode duurde ongeveer acht jaar. In de oorlog kregen we weer elektriciteit, maar dan nog alleen in het voorhuis. We gebruikten een pomp voor het water. Het water kwam uit een put waarin je nu door het keukenraam bloemen ziet staan. Een olietankwagen reed een paar jaar geleden de put omver. De keuken was in die tijd groter en had zes deuren. Er was een deur naar de slaapkamer van mijn vader en moeder en een luik met een trap eronder naar de kelder. Er was een deur naar buiten die tegenover de pomp uitkwam. In een van de hoeken zat de trap naar boven. Ook kwam een deur uit op de deel waar je de koeien om de hoek kon zien staan. De zesde deur kwam uit in de woonkamer. Het fornuis stond in een van de hoeken van de keuken. We gebruikten hout of kolen voor het klaarmaken van het eten.

De tijdelijke noodwoning
De na de oorlog gebouwde nieuwe woning

In het jaar 1940 kwam er oorlog in Wageningen en Rhenen. Hier hoorde je de kanonnen bulderen en je kwam een militair tegen, maar je zag geen tank over het land of iets dergelijks. Dat kwam later pas, in september 1944 toen de oorlog hier pas goed begon. De luchtlanding kwam op zondag. Ik zag de zweefvliegtuigen aankomen vanuit de Betuwe. Ze landden dwars door de omheining van de weilanden heen en het prikkeldraad raakte vast in de wielen. Hier schuin achter de boerderij stonden al gauw ongeveer vijfentwintig glijders. Soldaten kwamen met parachutes naar beneden met grote bussen bij zich, gevuld met allerlei materiaal. Wij transporteerden met voerlui uit het dorp de vliegmachines naar de boerderij. We sorteerden de spullen en verborgen ze in de schuur. De soldaten uit de  zweefvliegtuigen trokken naar Arnhem, sommige met een jeep. Ze hadden maar weinig zwaar geschut bij zich. Dat was het ongeluk natuurlijk, want de Duitsers hadden dat wel en die konden van grotere afstanden schieten. Die zondag, 17 september 1944, was het eigenlijk nog rustig zou je kunnen zeggen. Onze melkbussen stonden in de koelbak. In de ochtend kwam nog een Duitser om melk en in de middag waren het al Engelsen die om melk vroegen. Maar die maandag werd het grimmiger. De schuur brandde en hoewel de Engelsen hielpen blussen verbrandde er toch een paard. De dinsdag begon eerst heel rustig, maar later begon het schieten en de boerderij schoot in brand. Wij zaten nog in de kelder en mijn vader zei: ‘We moeten eruit, want anders gaat het niet goed.’ Mijn moeder en mijn zuster gingen naar het dorp. Met mijn vader maakte ik de koeien die op de stal stonden los. We joegen ze naar buiten en zagen ze nooit meer terug. Wij kropen in de richting van het dorp via het fietspad dat toen lager lag dan de weg, terwijl de kogels over ons heen vlogen. Bij het eerste huis kwamen we een militair tegen die ons neer wilde schieten. We gingen dat huis binnen met niets dan onze eigen kleren aan. Het vuur op onze boerderij kwam intussen bij de opgeslagen munitie en de hele boel klapte de lucht in. De deuren en huisraad vlogen door de luchtdruk los en in het dorp sprongen ruiten. Stukken muur van de boerderij stonden nog overeind, maar de rest lag helemaal plat. Ook onze oogst was verloren. Bij een goede kennis verbleven we de eerste tien dagen. Ik kreeg een jas en ondergoed, want van mezelf had ik niets meer. Tijdens het schuilen bij mensen in hun kelder, trof nog een scherf mijn jas die aan de kapstok hing. Op 1 oktober evacueerden de mensen uit het dorp. We kregen van een voerman een paard en wagen en van anderen allerlei spullen. Zo vertrokken we die zondag en kwamen in Ederveen terecht.

Bij de boerderij lag een kleine boomgaard. Daar was van alles in terecht gekomen toen het hier ontplofte. De gebinten van de schuur lagen honderd meter verspreid in het weiland. De meeste bomen waren verbrand. Het was een kale bedoening en het land was een woestenij toen we terugkwamen in 1945. Bunkers zaten verspreid in het land en waren gemaakt van materiaal dat ze uit het dorp hadden gehaald, bijvoorbeeld deuren voor de zijkanten en het dak. De militairen hadden ook eenmansgaten gemaakt. Je moest erom denken dat je niet met een of ander in die eenmansgaten kwam. Daarin was allerlei rommel gegroeid. Mensen van de DUW (dienst Door Uitvoering Werk) maakten het land weer een beetje gelijk. Eind mei startten ze, maar de tijd van zaaien was grotendeels voorbij. Pootgoed was moeilijk te krijgen en daardoor verbouwden we in dat jaar vrijwel niets. Het eerste half jaar na de bevrijding woonden we in het dorp, in een woning van een NSB’er die daar niet terug mocht komen.

Zijn vrouw Bertha

Tijdens de wederopbouw van deze boerderij woonden we vijf jaar in een noodwoning. Dat is het witte gebouwtje dat je ziet door het keukenraam. Daar zaten de koeien, varkens, paarden en de mensen bij elkaar in. In 1950 trouwde ik en nam het bedrijf over. Mijn vader en mijn moeder bleven hier ook wonen. Mijn eerste vrouw die in Wageningen twee keer een evacuatie meemaakte, overleed in 1953. In 1954 trouwde ik met Bertha.

In de oorlog en ook kort na de oorlog was er geen kunstmest genoeg. Stalmest hadden we niet voldoende, omdat we weinig koeien hadden en de mest van de varkens niet voldoende was voor deze hectares. Vanaf de jaren zestig konden we meer mest krijgen, onder andere kunstmest. Stalmest kon ik kopen van boeren in Bennekom die veel koeien, varkens en kippen en weinig land hadden. We verbouwden rogge, haver en aardappels. Ik ging langzaam wel meer aardappels en bieten verbouwen. Door de droge grond konden we niet alles telen. Ook verdroogde er nog weleens een gewas. In de jaren zeventig kwam een beregeningsinstallatie en ging ik over naar de teelt van suikerbieten in plaats van voederbieten.

Ik herinner me dat we aardappels nog per roe verkochten aan de mensen in het dorp. Wij rooiden ze en de mensen raapten ze op. Een roe was ongeveer vier meter lang en een aantal rijen breed en ik mat dit af met een lange stok. De opbrengst per roe was een halve mud, ongeveer 35 kilo aardappelen. We drukten de opbrengst van graan, rogge en haver toen ook uit in deze gewichtsmaat. De opbrengst per roe verschilde weleens. Het kon ook wat minder zijn als het een lange tijd droog geweest was. Soms verkochten we op een zaterdagmorgen wel twee hectare aardappels. Hele gezinnen kwamen aardappels rapen. Er waren dan veel mensen op het land en dat vond ik wat dat betreft een mooie tijd. Later verkochten we de aardappels aan de aardappelmeelfabrieken in Drenthe.

Voor de oorlog hadden we acht à tien melkkoeien. Melkslijters haalden iedere dag de melk op en ventten die uit in het dorp waar burgers een liter of een paar liter melk van hen kochten. In de oorlog werden we van hoger hand gedwongen de melk naar de fabriek te brengen. Voor het maken van boter had melk ook een bepaald vetgehalte nodig. We brachten de melkbussen aan de Bennekomse weg met de hand of met een transportfiets. Later haalde de melkfabriek de melk bij de boerderij op. Tot ongeveer het jaar 2000 liepen hier koeien op het land.

In het begin slachtten we in de herfst een varken voor eigen gebruik. Na de oorlog deden we dat niet meer. We hadden in die tijd wel twintig varkens die we naar het slachthuis in Heveadorp brachten. Ik verkocht ze aan een slager uit het dorp, die de varkens in het slachthuis slachtte. In iedere straat had je toen wel een slager. Het graan van dit land brachten we naar de molenaar die het verwerkte tot veevoer. Eerst bracht ik het met paard en wagen naar de molen. Later kwam de molenaar het zelf ophalen met een vrachtwagentje. Ik bracht het naar de molen in Renkum die in 2013 gerestaureerd werd.’

Kijk ook eens op: