Boerenerven: ‘Margarine, dat was toch een vijand van de boer!’

Jetty Hermsen – Eringfeld (geb. 1931)

 

In de ruime, lichte woning aan de rand van Zutphen vermoed je niet dat het vroeger een varkensstal was. Hier woont mevrouw Jetty  Hermsen-Eringfeld (1931). Zij en haar man hadden vroeger de naburige boerderij de Disselweerd. Maar haar ouders hadden een boerenbedrijf op de Deurvorst bij Ulft bij Gendringen en daarover zal het grootste deel van ons gesprek gaan. Op haar ouderlijke boerderij woont nu een neef. Ze laat trots een schilderij zien van het huis, gemaakt in 1949 ter gelegenheid van het trouwen van een van haar zussen.
Auteur Margreet Gründemann, beeldmateriaal Marianne Jans.

‘Ik ben in 1931 geboren. We waren met z’n vijven. Drie meisjes en twee jongens. Ik was de vijfde. De dertiger jaren waren crisisjaren hè? Wij hadden altijd genoeg te eten, maar mijn vader zei: “Het is wel een broodwinning, maar geen geldwinning.” Ook in de oorlog hadden we niet echt te kort, maar we waren geen heerboer hoor!
Deurvorst of Deurvorster Plaats, zo heette die boerderij, is heel vroeger een kasteel geweest. Maar dat is afgebrand en toen is er later een boerderij op gebouwd.

Mijn vader had toen wij klein waren, twee knechts en moeder had een meid. Toen wij groter werden moesten de kinderen het werk doen. Mijn oudste zus was elf jaar ouder, die had heel graag verder willen leren maar dat heeft van mijn vader niet gemogen. Want ze moest thuis helpen. Maar ja goed, toen was het ook niet algemeen dat meisjes gingen leren. De jongens mochten ook niet doorleren. Die hebben gewoon landbouwschool gehad.

Schilderij van De Deurvorst gemaakt in 1949 ter gelegenheid van het huwelijk van de oudste zus van Jetty Hermsen

Mijn oudste zus is naar de naaischool gegaan. In de oorlog was er bijna niks. Maar die kon van een ouwe jas weer een mooi rokje maken of een overgooier voor mij. Zo goed naaien heb ik nooit geleerd. Er was wel altijd veel verstelwerk, overalls met lappen op knieën en ellebogen. Mijn zus is in ‘49 getrouwd en na die tijd hadden we gewoon gekochte kleding.
En ik heb de ulo gedaan. In de Oorlogswinter ging ik voor ’t eerst naar de ULO. Ik had geen fiets. De oudsten hadden al wel een fiets, maar ik niet. Ik kreeg mijn eerste fiets pas toen ik 18 was. We moesten een kwartier lopen. Dat was wel te doen, maar je wist ook niet beter. In de winterdag als ‘t heel slecht weer was, dan kon je wel overblijven.
Ik ben twee jaar op internaat in Denekamp geweest. Daar had je de landbouwhuishoudschool. Ondertussen was mijn oudste zus getrouwd en mijn andere zus ging ook trouwen. Ja, toen ben ik ook thuis gebleven. Om mee te helpen. Niet omdat het financieel moest, want zo groot waren die lonen toen niet. Ik denk dat een knecht honderd gulden verdiende toen of honderdtwintig.

De Deurvorst anno 2015

Mijn moeder is jong getrouwd, ze moest nog 23 worden toen ze trouwde. Ze bakte zelf en voerde de varkens. Ik zie haar, bij wijze van spreken, nog met emmers lopen.
We hebben pas in de vijftiger jaren een melkmachine gekregen. Dus voor die tijd moest er met de hand gemolken worden. We gingen altijd met ons drieën melken. Zo’n vijftien melkkoeien.
We hadden een grote moestuin. We verbouwden daar van alles. Tot de erwten en bonen toe. In de winterdag dorstte mijn vader die erwten voor de erwtensoep en de bonen voor de bruine bonen. Die werden gedroogd. De doperwtjes en de sperzieboontjes werden allemaal geweckt. En de snijbonen in ’t zout gelegd. Zuurkool werd in die grote Keulse potten gedaan, met zout en dan een plank d’r op met een grote steen.
Mijn vader hielp met kool snijden. Dat was zijn werk.  En hij hielp met de slacht. Twee keer in ’t jaar. Eerst werden de hammen en het spek in de pekel gedaan, in zo’n gemetselde bak in de kelder. Het moest drie weken in ’t zout geloof ik. Dan werd het afgewassen en met de gavel in de wimme  gehangen. Mijn vader deed dat allemaal met zulke touwtjes en van die klosjes en zo. Boven op zolder hadden we een kist. Als het droog was dan ging het in de kist. Zo droogde je ook de worsten.  De droge metworst ging allemaal naar boven in die kist. Daar zaten luchtgaatjes in en dat ging altijd goed.
We aten ook wel rundvlees. Dat werd eerst gebraden en dan geweckt. En dan het rookvlees hè? Dat echte naegelholt! Dat moest heel dun gesneden worden. Daar had mijn moeder toch wel een handmachientje voor. Want hoe dunner gesneden hoe lekkerder. Met roomboter!

De Deurvorst anno 2015

De melk ging naar de fabriek toe, in melkbussen. En dan namen we boter en kaas weer terug van de fabriek. In de winkel kochten we koffie, thee, olie en soda. En suiker en zachte zeep, nou dan was je al een heel eind.

We hadden een klein boomgaardje. De appels werd op zolder gelegd, gewoon op de houten vloer. Die moesten een keer in de week omgelegd worden. En drogen hè? In de oven. Wij hadden thuis in een apart schuurtje zo’n ouderwetse bakoven, waar ze takkenbossen in deden en dan werden in de herfstdag de zoete appels geschild en gedroogd. ’s Avonds aten we altijd karnemelkpap met gedroogde appeltjes. Peren droogden we ook. Een speciaal soort peren was dat. Niet Suikerpeer, Ossenpeer, geloof ik. Dat waren een beetje drogere peren zodat er ook wat van over bleef.
We hadden ook pruimen en een paar hele grote kersen. Die werden niet aan jam gemaakt, maar geweckt. En dan later in de bowl. Bij bowl maken kwam geen alcohol aan te pas.
Mijn vader en moeder waren in november jarig. Dan kwam altijd de familie en werd er wel een brandewijntje gedronken. Brandewijn met suiker voor de mannen en mijn moeder dronk ‘schilletje’, zo noemden ze dat.

Boerderij gezien vanaf de splitsing van de Oude IJssel en de Aa bij Ulft

Vader verbouwde tarwe en rogge. Dat lieten we malen en dan bakte de bakker roggebrood. Moeder bakte tarwebrood op zaterdag en door de week ook nog een keer. Mijn jongste broer en ik kregen op zaterdagmiddag altijd een klein broodje met een paar rozijntjes er in gebakken. En alle morgens pannenkoeken. Spekpannenkoeken! Als  we van het melken thuis kwamen, was er spekpannenkoek en roggebrood. Met koffie of thee. Het lekkerst vond ik witbrood met roomboter en metworst d’r op. In de oorlog droogde moeder ook oud brood en dan aten we in de zomerdag brokkenpap, broodpap.

We hadden dertig hectare grond, meer zand als klei. De helft was ongeveer weiland en de andere helft was bouwland. Mijn vader verbouwde het meest rogge en haver. En aardappelen, bieten en mangels, voor de koeien. Hij had een mangelmachine met van die ronddraaiende messen. Dan deed je van boven de mangels er in en dan moest je draaien.
We hadden koeien, varkens en kippen. Weet je dat de kippeneieren in verhouding het meeste opbrachten? Ja goed, er waren toen lang niet zoveel eieren, want wij hadden maar twee kippenhokken met honderd kippen of zo. Dat eiergeld was mijn moeders huishoudgeld. Daar was mijn moeder heel zuinig op. Er was ook een tijd dat de kippen niet zo veel legden, als ze in de rui waren. Toch kwam ze dan wel uit met dat huishoudgeld hoor!

De mestvaalt lag tussen de potstal en de varkensschuur. De zeugen werden iedere dag even naar buiten gedaan en die trapten de mest aan. Maar in het voorjaar dan moest die mest uitgereden worden. Dat moest allemaal  met de hand gebeuren hè? Met de greep, eerst op de kar en dan werd het op hoopjes in de wei gedaan. Nou…  dat was eigenlijk te zwaar. Want vroeger moest je vóór Pasen nog echt vasten hè? Je mocht één volle maaltijd per dag. Dan moest er ’s middags ook wel goed gegeten worden! Mijn moeder bakte dan ’s morgens wel pannenkoeken maar geen spekpannenkoeken. Die werden dan met ongel, dat is hard rundvet, gebakken. Niet in roomboter of zo. Moeder mengde nooit roomboter met margarine. Nee, dat wou mijn vader absoluut niet hebben. Margarine dat was toch de vijand van de boer! Dat was tegen zijn principes!

We hadden drie paarden, toen we nog zelf met de binder moesten maaien. De  binder was de voorloper van de combine, zeg maar. Die maaide graan. Voor die binder moesten drie paarden, want dat was echt zwaar werk voor die paarden.
We hadden een karretje waar een paard voor kon, maar dat werd eigenlijk nooit gebruikt. Eén keer naar de begrafenis van mijn opa.

Er waren natuurlijk rangen en standen! In de kerk bijvoorbeeld, daar werden de banken gepacht. Bij ons had je fabrieksheren: van de  DRU-fabriek en de Becking & Bongersfabriek. En de huisarts. Dat  waren vooraanstaande mensen. Die pachtten de eerste banken in de kerk. Dan nam mijn vader een bank, niet helemaal voorin, maar hij wou ook niet dat we achterin zaten. Dus pachtte hij de vierde of vijfde bank van voren. Daar had hij wel iets voor over.
Ulft was echt een arbeidersdorp. Wij waren met elf boeren in de parochie. Maar naar de DRU-fabriek gingen toen al bijna duizend arbeiders. Ik zie ze nog allemaal lopend naar de fabriek toe gaan. Met een drinkensbusje. Ja, die fabrieksheren hadden wel een fiets, maar de gewone arbeiders niet.
Die mensen hadden vaak wel een stukje grond bij huis hè, waar ze groenten konden verbouwen. En vaak nog een varkenshokje. De groenteafval  ging naar dat varken.
In de oorlog moest je rogge aan de overheid leveren. We hadden een eigen dorsmachine, die werd dan verzegeld. Maar af en toe werd er stiekem gedorst. Mijn vader kende iemand die deed er dan wel weer een nieuw loodje op. En ’s avonds kwamen die mensen rogge halen. Dan kreeg het varken er dus een beetje roggemeel bij.

Ik denk dat wij al in de dertiger jaren of zo elektriciteit gekregen hebben, want ik herinner me als kind al dat wij het hadden. Vóór de oorlog hadden we ook al zo’n ouderwetse radio.
In de houten wasmachine zat een bewegend mechanisme, die was dus al elektrisch.
De witte was werd eerst in de fornuispot gekookt. En dan ging die in de wasmachine.
We hadden toen al waterleiding met een kraan. Dan kon je water tappen in zo’n lange goot voor de koeien. Maar we hadden toch wel heel vlug zelfdrinkers, die ze met de kop op en neer konden bewegen. Op zo’n gebied was mijn vader wel vooruitstrevend.

Vroeger had je Meimarkt hè? Voor ons was dat gewoon een feestdag. Dan kregen we een paar centen en mochten we ‘zwart op wit’ kopen.
Voor de kermis verdienden we kermisgeld door aren te rapen. Dat deden we in de vakantie. Dat was oogsttijd. Dan moest ’t land schoon. Als je dan een bosje had, deden we er zo’n knoop om van stro en die hingen we in de stal aan de houten balken. We kregen daar twee cent voor. En voor een grote, een boerenplaat. Tweeënhalve cent was dat.
Op de kermis stond dan een carrousel en een zweefmolen en een cakewalk. Dat was toen heel wat, cakewalk ! En dan misschien bussen gooien.

We baden iedere avond een rozenhoedje, met de knieën op de kokosmat. En nog een litanie er achteraan. Dat je helemaal doorgezeten knieën had. Dat deden we ook  als er onweer was. Mijn moeder wou altijd hebben dat wij allemaal uit bed kwamen. Aangekleed en dan rozenhoedje bidden.
We hadden een rieten dak thuis en we hebben een keer brand gehad met onweer. Ingeslagen! We hadden nog geen telefoon en mijn jongste broer is toen naar Ulft gelopen. De brandweerkazerne zat gelukkig aan onze kant. Die zijn toen direct bij ons gekomen. Maar mijn vader had al een lange ladder gepakt en is het dak op gegaan met een bezem en daar heeft hij die vuurhaard iedere keer met de bezem uitgeslagen. Totdat de brandweer kwam.  Ze hebben hem met twee man d’r weer af moeten halen. Want toen durfde hij niet meer naar beneden. Maar hij was zó tegen het rieten dak opgelopen! Onvoorstelbaar!’

Kijk ook eens op: