Boerenerven: ‘Met een mandje met kippenkeutels achter de aardappelplanters aan’

Elbert van den Hazel (Geb. 1929)

Het interview vindt plaats in de mooie kamer van de boerderij van Elbert van den Hazel (1929). Vroeger grensde deze kamer direct aan de deel waar de koeien stonden. Nu wordt de woonkamer van de deel gescheiden door een tussenruimte met een keukentje. De kamer ademt de sfeer van ‘toen’: in de schouw staat een houtkachel die nog steeds voor de verwarming zorgt. Vroeger werd daar ook op gekookt. De bedstee is nog intact, maar die is nu in gebruik als kast. Een klok tikt de tijd weg. We zitten aan tafel en praten over het leven op het platteland.

Auteur Barry Kortenhoff, beeldmateriaal Ron van der Duyn.

‘Mijn hele leven heb ik met mijn ouders en zussen aan de Knapzaksteeg in Putten gewoond. Ik had twee zussen. Mijn ene zus is nooit getrouwd. Zij is twintig jaar geleden gestorven. Mijn andere zus is laat getrouwd en zij is tien jaar geleden gestorven. Ik ben bijna in de hooiberg geboren. Het hooien was klaar en de laatste vracht moest nog in de berg. Maar die hadden ze er ’s zaterdagsavonds niet meer in gekregen. Toen ben ik ’s zondags geboren. Het hooien was toen veel later dan nu. Tegenwoordig moet de tweede of derde snee gras er op 14 juli af zijn. In ’76 ben ik een maand of drie uit de running geweest. Toen ben ik aan een breuk geopereerd. Maar verder ben ik nooit ziek geweest. Ongeveer 25 jaar heb ik altijd zelf gemolken. Vijf jaar terug heb ik een paar nieuwe heupen gekregen. Een jaar later moest ik voor controle bij de dokter komen. Ik zeg: ‘Dokter, voor die tijd kon ik een lege kruiwagen niet de baas, maar nu kan ik een volle weer de baas.’ Sinds een jaar of twaalf woont de buurjongen met zijn gezin op het bedrijf en hij runt de boerderij. Hem help ik dan.

Opa en oma Van Den Hazel

Mijn vader en moeder zijn hier met hun trouwen komen wonen. Dat is in 1925 geweest. Mijn opa heeft het huis gebouwd. Met mijn vader en zijn zuster woonde hij hier tegenover. Toen de schoorsteen erop zat, hebben mijn vader en zijn zuster een lootje getrokken wie in het nieuwe huis kwam wonen en wie in het ouderlijk huis aan de overkant bleef. Mijn vader trok aan het langste eind en in december 1926 trokken mijn vader en moeder in het huidige huis. De straat werd toen nog Koeweg genoemd. Straatnamen zijn er in Putten pas in 1960 gekomen. Maar daarbij is een foutje gemaakt. De meeste wegen hier zijn naar een boerderij genoemd. Onze straat kwam toen Knapzaksteeg te heten. Maar eigenlijk heette de boerderij ginds de Knapzak. Ons bedrijf is heel lang een gemengd bedrijf geweest. Van alles een beetje: een beetje aardappelen, beetje bieten, haver en rogge. Het eerste jaar had mijn vader een stuk of zes, zeven koeien, zo’n honderd kippen en een paar varkentjes. Maar toen ik begin negentiger jaren alleen kwam te staan, heb ik de varkens en de kippen weggedaan.

Vroeger was alles handwerk. De aardappels werden met de hand gepoot. Als klein meisje moest mijn moeder dan met een mandje met kippenkeutels achter de aardappelplanters aan om bij iedere aardappel een kippenkeutel voor de bemesting te leggen. Dat was omstreeks 1900. Ja, dat is ’t oude werk, dat is de oude geschiedenis van vroeger. Dat gebruik verdween met de komst van de kunstmest. Grasmaaien gebeurde met de zeis. Er waren hier in de buurt nog vrouwen die net zo goed gras konden maaien als de mannen. De eerste grasmaaimachines verschenen begin jaren dertig. Dat waren vingerbalkmaaimachines. Tegenwoordig zijn het allemaal schotelmaaimachines. De eerste vingerbalkmaaimachines schaften we met twee, soms drie boeren samen aan, want je moest er twee paarden voor hebben. Dus als je maar één paard had, dan had je met de buurman samen twee paarden. Later kwam er één paard voor, maar toen zat er een motor in die de vinger aandreef. Nadat het gras gemaaid was, moest het met de hand worden gekeerd. Dan liep je soms met een man of zes, zeven achter elkaar het gras met zo’n zwaaitje om te gooien. Wat een gezellige tijd was dat.
Ook het melken gebeurde met de hand. Een grote boer die twintig koeien had, die moest er haast een knecht bij hebben om met melken te helpen. De stal werd twee keer in de week leeg geschept. Dan werd het paard voor de kar gezet en moest je met een gierschep een houten bak vol scheppen en op de kar laden. Dat brachten ze dan direct het land op, op een hoopje. Later werd dat dan weer uitgestrooid. Nu komt er soms zo’n grote meststrooier en is het in één keer: pats. We hadden vroeger ook veel gewicht te sjouwen. Als er bijvoorbeeld melkpoeder geleverd werd, dan moest je dat met de hand lossen. Die zakken droeg je altijd op je hoofd, dan liep je recht. En als je ze moest stapelen, dan kon je het zo gooien. Ja, als je nu iemand vraagt om een zak van 50 kg te beuren, dan kan dat niet. Maar ik heb wel eens dagen gehad dat ik bij een grote boer aan het dorsen was en dat we dan achter de machine de rogge moesten afwegen, zo’n 75 kg. Dan stond ik de hele avond en dag de zakken van de machine af te halen, op de bascule te wegen en dicht te binden. En dan moest je ze verplanten. Zakken van 75 kg. Nu mogen ze nog geen 25 kg wegen! En ik ben d’r even goed oud mee geworden. Mijn moeder heeft altijd klederdracht gedragen. Er was geen daagse kleding, er was geen verschil met klederdracht. Ja, ’s zondags zaten ze met een muts op. Anders gewoon. De eerste, ‘beste’, jurk die bleef lang best, maar voor daags was dat haast hetzelfde.

Al vroeg werd er door de kinderen meegeholpen op de boerderij. Als tienjarig joch kreeg je daar al hooibouw verlof voor. Hooibouw verlof, in de tijd dat het hooien was. Dan kon je veertien dagen extra vakantie krijgen. Jongens kregen niet alleen hooibouw verlof, een enkeling kreeg ook verlof om kievitseieren te gaan zoeken. Want de meester kon zo’n jongen wel op school willen hebben, maar hij leerde niks, dus die liet hij maar gaan. Zo’n jongen wou altijd graag kievitseieren zoeken en verdienen. De kievitseieren werden naar de eierhandel gebracht die ze meenam naar de markt. Kievitseieren waren duur. Ze gingen meestal naar de burgers toe, naar de rijkere burgers, om op te eten. Dat was vroeger, nu mag er niet meer gezocht worden. Maar kievitseieren zoeken kan helemaal geen kwaad. Ja, dat is iets in de natuur. Als het eerste nest kievitseieren wordt uitgehaald, dan is dat niet erg, want die kuikentjes overleven het vaak niet. Het is dan te koud of te nat. Het tweede nest kuikens overleeft het meestal beter dan het eerste nest, dus laat die jongens de eerste drie weken maar rustig kievitseieren zoeken. Dat is weer zo’n punt. Weidevogels beschermen. En de boeren de schuld maar krijgen omdat die het land bemesten en daarbij de nesten vernielen. Maar de wetgever is de schuldige, want die stelt het verbod in. Boeren mogen ook geen vossen schieten. Maar er zijn zoveel vossen die al die vogelnestjes uithalen; ook de konijnen en de hazen vreten ze op. Dat is net als met die kraaien, die halen de kievitsnestjes en zo ook uit. En dan zeggen ze dat de boeren al die nesten vernielen. Maar de oorzaak zit bij de kraaien. Enkele keer een buizerd, maar die zijn er nog niet zoveel.

Toen ik elf was brak de Tweede Wereldoorlog uit. Ik weet nog goed dat we ’s morgens naar de school gingen en dat daar op de weg allemaal paarden waren. De oorlog was net uitgebroken. Toen was er, in mei 1940, geen school, maar verder ben ik altijd wel naar school geweest. Aan deze kant van de Voorthuizerstraat stond een kazemat en er was een klaslokaal gevorderd. Daar lagen ’s winters soldaten. En je weet hoe jongens zijn, die komen met elkaar aan het praten. Ja, wat dat betreft besefte je niet dat het oorlog was. Het was meer gezellig toen. In de oorlog hebben we vijf mensen uit Arnhem in het bakhuis gehad. De bakhuizen werden benut, de inwoning was toegewezen. Sommige mensen hadden twee of drie mensen in huis, anderen een heel huishouden. Die Arnhemmers die mochten we niet zo, die waren niet gauw tevreden. Ze kregen ’s middags een goede bak eten en verder moesten ze ’t er maar mee doen. Want ja, hoe lang zou het duren? We hebben ook een tijdje mensen uit Hoevelaken gehad. Met hen is er nog altijd een beetje contact. In dit gebied zijn de Duitsers op dinsdagavond 17 of 18 april vertrokken, maar de Engelsen waren er nog niet. Er was dus een soort niemandsland. Je besefte niet dat er nog altijd gevaar was. Op maandagavond waren we nog mest aan het strooien in het land en ’s morgens ben ik nog kievitseieren wezen zoeken. Maar toen is er hier, een vijfhonderd meter verder, nog een granaat ingeslagen. Daarbij is een vrouw gewond geraakt aan haar been. De volgende dag is ze met de bandenwagen of met de boerenwagen, met een wit laken erover, naar het ziekenhuis gebracht.

Elektriciteit hebben we pas in 1957 gekregen. Tot die tijd hadden we petroleumlampen. Zoals op de deel. Daar stonden vroeger de koeien. Aan de andere kant was een paardenstal. In het midden was nog een hok, daar kan heel vroeger nog wel eens een varken in hebben gestaan. Dat moet dan in de eerste jaren zijn geweest, voordat er een schuur was. Het huidige kippenhok is later gebouwd. Het oude hok moest weg omdat ze er toen, in 1938, een bakhuus bij gebouwd hebben. Gas hebben we in ’78 of ’79 gekregen. Dat was om te koken en te verwarmen. Ik stook hier nog altijd, net als vroeger, een houtkachel. Maar koken doe ik tegenwoordig met de magnetron. Een wc had je vroeger niet. Ja, er was wel een gelegenheid, maar die zat achter tegen de muur aan. Van de wc ging alles zo de gierkelder in. Er was ook nog geen stromend water. Pas in 1976 werd de wc veranderd en kwam er een douche en een bad. Zelf gebruik ik nog altijd eigen water, maar voor de melk mag het niet. Voor de stal moeten we leidingwater hebben. Ik heb het grondwater een keer laten onderzoeken. Volgens de normen mag er één tiende mangaan inzitten; er zat twee tiende mangaan in. Kijk, daar heb je weer zoiets. Dat mag dan niet, maar voor de gezondheid moet je de koeien mangaan bijvoeren! Door ambtenaren wordt een hoop van die wetten opgesteld, maar van de praktijk van het dagelijks leven weten ze niets.’

Kijk ook eens op: