Boerenerven: ‘Knollen werden laat in de herfst geplukt. oh oh, wat had je dan koude handen!’

Willie Rietman-Makkink en Jan Rietman (geb. 1942)

In de kleine kern van Vierakker vind je nog de landelijke rust van vroeger. Dichtbij de Sint Willibrorduskerk ligt het huis van Willie en Jan Rietman-Makkink. Net buiten het dorp ligt erve het Makkink, een rijksmonument, dat al zeker vier generaties lang door de familie gepacht wordt. Willie
woonde er met haar grootouders, later met haar oom en tante en volgde samen met haar man haar tante Dine en oom Henk Boenink-Makkink op. Tegenwoordig is het landbouwbedrijf in handen van één van hun twee zoons met zijn gezin.

Auteur Ina Brethouwer, beeldmateriaal Marianne Jans.

Willie Rietman-Makkink vertelt: ‘Toen ik nog maar tien dagen oud was ben ik op “het Makkink” in Vierakker gekomen bij mijn grootouders Makkink, hun dochter Dine en hun zoons. Ik ben er altijd gebleven. Het Makkink is een pachtboerderij van de familie Van Westerholt op het kasteel Hackfort in Vorden. Mijn vader was daar ook geboren, maar hij pachtte samen met mijn moeder een boerderij in Hengelo-Gelderland. Mijn moeder stierf toen ik twee jaar was. Vier jaar later ging ik naar de lagere school, niet in Vierakker maar in Hengelo. Mijn vader was toen net hertrouwd. Men vond het beter dat ik ook mijn broertje en zusje regelmatig zag. Dus bracht tante Dine mij op maandagochtend op de fiets naar de school in Hengelo en haalde ze mij op vrijdagmiddag daar weer op. In de week was ik dan bij mijn vader. Als ik van school kwam moest ik meteen aan het werk, mijn stiefmoeder was mij nog vreemd en mijn vader nogal streng. Mijn vader had natuurlijk veel narigheid meegemaakt, zijn vrouw gestorven, een zusje van me ook jong gestorven aan tbc. Ik was blij wanneer het vrijdag was en ik in het weekend weer in Vierakker was. Het kwam in de winter wel voor dat ik het zó koud had op de fiets, dat tante Dine midden op de Lankerstraat zei: “Wie gaot eerst daor bie een huus de hande warmen”.

Er was veel te doen op het Makkink. We hadden wel vijftien koeien en ook twee of drie paarden. Voor de zelfbinder bijvoorbeeld, die in de roggetijd gebruikt werd, gingen soms drie paarden. Of als het land geploegd werd de hele dag, dan had je meer dan één paard nodig. Opa ploegde nog tot op hoge leeftijd. Met 80 jaar was hij nog heel secuur aan het ploegen. Hij stelde er een eer in. Er waren geen knechten of meiden, al het werk werd gedaan door mijn grootouders en tante. Ook door de ooms totdat deze naar elders verhuisden. Ze kwamen wel eens samen op bezoek, dan reisden ze met de bus naar Vorden. Opa haalde ze dan op met paard en karretje. Ik heb in mijn leven heel veel buiten gewerkt. En er was altijd veel te doen, de landbouwmachines kwamen pas later. Vaak werkte ik samen met tante Dine en oom Henk. Zij waren in 1950 getrouwd. De moestuin bijhouden, koeien melken, kalveren en varkens voeren, rogge binden en rogge en hooi binnenhalen, dorsen. Mest laden uit de grupstal deden we eerst met de mestgreep en paard en wagen, later met de trekker en een mestwagen. In de slachttijd als wij druk waren geweest met een varken of een koe en alles ingeweckt hadden, dan was het gewoonte dat we ook een stuk vlees naar de familie op kasteel Hackfort brachten. Circa 1955 hebben we een zelfbinder gekocht samen met de buren, die toen nog getrokken werd door paarden. Een trekker kwam in 1959.

Sommige grond lag verder weg van huis. Als de koeien naar de verst gelegen wei de verhuisd werden, dan liepen we elk met vier koeien aan een touw anderhalve kilometer over de weg naar die wei. De voorste koe had je vast aan dat touw en die koeien waren dan met een touw aan de hoorns met elkaar verbonden. Er waren aparte namen voor de percelen. Zo hadden we een grote kamp en een kromme kamp, een koewei en een pesterswei.

De grootouders van Willie: Jan en Everdine Margrieta Makkink-Paradijs op hun trouwdag in 1908

De bieten op het land werden in het voorjaar uitgedund en kwamen in de herfst in de kuil. In de winter werden deze dan weer uit de kuil gehaald en met de kar naar de deel gebracht. Dan kwam de “mangelmölle” eraan te pas, die op de deel stond en waarmee de bieten kort werden gesneden. Ook knollen moesten geplukt worden laat inde herfst, oh oh, wat had je dan koude handen. De knollen werden op de kar geladen en vervolgens met de “grepe” (de riek) weer afgeladen in een ronde kuil op de grond. Zo was je dan een tijd intensief de knollen hoog aan het opstapelen en daarbij moesten die knollen dan wel tamelijk recht komen liggen. Het was haastwerk, hard en secuur werk. In de winter werden bieten en knollen aan de koeien gevoerd. Het werd altijd zo goed uitgekiend dat we in het voorjaar nog maar een kleine voorraad over hadden.

We hadden ook een “jappelsilo”. De aardappels werden opgehaald, die gingen ergens naar toe waar ze gestoomd werden. Dan kwam de vrachtwagen terug en werden de aardappels in een lange silo in de grond gegooid. Daar kwam dan veel damp van af. Het geheel moest goed luchtdicht afgesloten worden vanwege de vorst. Er kwam veel stro op en bladeren. Rondom de boerderij staan van oudsher veel bomen. Ook de bieten werden op die manier afgedekt.

Ik herinner me nog goed dat de rogge binnengehaald moest worden. Nu ik erover nadenk geloof ik dat ik met tien jaar al flink meehielp met rogge laden en garven “schieten”(aangooien). Dan waren we erg druk. Jong en oud was tegelijk aan het werk in de hitte, tjonge, jonge. Dat was me wat. Opa stak de rogge op en oma legde deze goed op de kar met een vuurrood hoofd. Als de kar gelost werd dan stak mijn tante Dine met de riek de rogge af, ik gooide de garven aan en oom Henk vlijde de rogge recht. We wisselden elkaar ook af. Je moet het zo voor je zien wat betreft dat opgooien van de garven: je hebt een grote vracht rogge. Dan moet je de garven in de berg steken. Onderin lukt dat nog wel, maar als je hoger komt en je moet daar dan de rogge neervlijen, dan moet je die eerst opgooien. Ik deed dat altijd met mijn blote handen. Daar had ik wel wat eelt in gekregen, maar de vingertoppen gingen toch wel heel zeer doen. Dat was nu eenmaal zo, zo was het in die tijd. Daar werd weinig aandacht aan besteed.

De jeugdige Willie Makkink op erve ’t Makkink in Vierakker

Een varken slachten dat vond ik niet fijn. Net voor hij gedood werd liep ik weg. Maar er moest wel bloed opgevangen worden, waar we bloedworst van maakten. Werd er een koe geslacht dan waren we wel een week druk met het braden van vlees en inwecken. Het slachten van een varken ging iets sneller. Een tijdlang brachten we het vlees naar een eigen lade in het diepvrieshuis hier in de buurt. Overal op het platteland bestonden in die tijd de vrieshuizen, voordat elk huis een koelkast kreeg of eigen vrieskist. We waren erg zelfvoorzienend. Boodschappen voor de hele week haalden we bij de winkel van Krijt in Wichmond, een tas vol voor zeven gulden. Suiker en bloem werd toen nog precies afgewogen. Zo’n winkeltje was een sociale ontmoetingsplaats. Je kwam andere mensen tegen en kon nog eens een praatje maken. De bakker kwam bij ons aan huis om het brood te leveren. Wij hadden er maar één, je had ook mensen die hadden twee bakkers omdat ze elk wat gunden. Dat was toen vaker het geval dan tegenwoordig, dat je leveranciers in de buurt wat gunde. Je had ook veel met de buurt te maken. Er was goed “naoberschap”. Je had de buurt nodig als je ging dorsen. Als je koe een kalf kreeg en je durfde het alleen niet aan, dan was het gebruik de buurman erbij te vragen. Dat ging zo: “Wi-j kriegt een koe melk, kom i-j effen?” Je dronk samen een borrel na afloop.

Mijn grootouders hadden de gewoonte om na het bijwonen van de kerkdienst in Wichmond nog koffie te drinken bij de familie Krijt. De oude Reind Krijt had al heel vroeg een auto. Mijn oude oma had destijds in 1900 de eerste auto gezien in de Boshuisweg. Dat was een hele belevenis: “Mo’j toch kieken, bie Kornegoor steet een rietuug zonder peerde”. Jan Rietman vertelt: ik kom zelf ook van een pachtboerderij van kasteel Hackfort. Die boerderij met de naam “Groot Starink” lag in Warken, helemaal aan het andere eind van het landgoed. Willie en ik hebben elkaar ontmoet tijdens een feestavond van BOG en BOLH, de bond van oud-leerlingen in het landbouw- en huishoudonderwijs. Vroeger bestonden er veel meer afdelingen van die vereniging. Tegenwoordig is de naam Jong Gelre en zijn veel afdelingen samengevoegd, zoals Warnsveld en Vorden.

Tante Dine en haar man Henk hadden geen kinderen gekregen en wij zouden het bedrijf samen met hen voortzetten. We wilden het huis verbouwen maar dat ging niet door. Er mocht weinig aan verbouwd worden omdat de voorgevel heel bijzonder is vanwege de neogotische spitsboogramen. Die vind je nergens anders. In die tijd is ’t Makkink een rijksmonument geworden vanwege die karakteristieke voorgevel. Er mocht wel een nieuw huis bij gezet worden, maar dan op een plek die ons niet aanstond. We hadden een goede architect en een lange adem. Uiteindelijk kregen we het voor elkaar. Eigenlijk was de familie Van Westerholt er nog niet eens zozeer op tegen, maar was het veeleer de gemeente Warnsveld die moeilijk deed over dat huis. In 1968 zijn we getrouwd. Toen de ruilverkaveling kwam is de grond wat mooier en dichter om het Makkink heen komen te liggen. Die weide waarover we eerder spraken, op anderhalve kilometer afstand, die is dus geruild met een lap grond dichtbij huis. En ook was er nog een stuk grond in Hengelo van Willies moeder dat er hier bijkwam. En waar we ook blij mee waren omdat het een grote verbetering was: de Boshuisweg werd verhard! Tot die tijd was het een heel slechte modderweg. Er waren tijden in het verleden dat de modderweg onbegaanbaar was en dat we een heel stuk over de kamp moest lopen, ook wel met de fiets aan de hand.

Een aantal jaren later wilden we een ligboxenstal zetten. De baron was toen net overleden. Zijn zuster, freule Sannie kwam kijken. Zij vond het meteen goed dat een grote eik gekapt werd en dat de stal gebouwd kon worden. Ze zei: “Er staan hier toch genoeg bomen”? Wij waren één van de eersten hier in Vierakker met zo’n stal, in 1974 stond deze er. In de jaren tachtig kreeg Natuurmonumenten het eigendom van landgoed Hackfort. Vanaf dat moment hoefden we niet langer eenmaal per jaar op 22 februari naar het kasteel om de pacht te betalen, maar werd de pacht per bank betaald. Het bedrijf werd groter en toen er boeren met hun bedrijf stopten op het landgoed konden wij land erbij pachten. En nu woont onze zoon Henri op het Makkink met zijn gezin en wonen wij hier in de kern van Vierakker.’

Kijk ook eens op: