Boerenerven: “Wij, kinderen van de zandgrond, butagaskinderen”

Hetty Prangsma (Geb. 1946)
Hetty Prangsma (Geb. 1946)

Een gezellige ontvangst mede door twee honden en eindelijk mooi weer, dus door naar de tuin. Onder het genot van een kop koffie hebben we de nodige herinneringen opgehaald aan het gebied waar we beiden een band mee hebben. Het is het gebied waar Hetty (1946) is opgegroeid en de landbouwenclave De Driesprong, waar ik ben opgegroeid. Het tussenliggende gebied was voor ons allebei een terrein waar we veel rondzwierven, al waren mijn zwerftochten dan van een latere datum. Toch delen we veel herkenningspunten en dierbare herinneringen. Zittend in haar tuin, genieten we beiden van deze reis in de tijd.

Auteur: Tessy Smeets, Beeld: Peter van Dinther

‘Ik ben geboren in Otterlo, waar de ouders van mijn moeder woonden en mijn opa rijksveldwachter was. De huisarts wilde dat mijn moeder daar zou bevallen, want de boerderij waar mijn ouders woonden, lag te afgelegen voor eventuele snelle hulp bij complicaties bij een bevalling. Ik was tien dagen oud toen ik naar Mossel kwam. De naam van de boerderij Mossel komt van moshutten. Vroeger waren er op die plek nederzettingen, van  die, nou ja, moshutten.

Ons gezin bestond uit vader, moeder en vijf kinderen, waarvan ik de middelste was. Zelf was mijn vader geen boer, maar ingenieur bij de Heidemaatschappij. Hij heeft het hele gebied samen met anderen tot landbouwgebied, tot landbouwenclave helpen ontginnen.
Hij was commensaal bij mijn moeder thuis, bij mijn opa en oma. Zo hebben mijn vader en moeder elkaar leren kennen. Mijn vader kon boerderij Mossel van de Heidemaatschappij pachten, maar omdat hij nog niet getrouwd was, heeft hij gevraagd of zijn ouders daar tijdelijk wilden wonen. Die kwamen net als hijzelf uit De Krim, Overijssel. De bedoeling was tijdelijk, maar het is uiteindelijk ‘tot de dood ons scheidt’ geworden.
In 1942 zijn mijn ouders daar ook komen wonen. Een prachtige plek, al dacht mijn moeder er in het begin anders over: ze vond het er verschrikkelijk. Ze is in Otterlo bevallen van mijn broer en ze ging daarna niet mee terug naar huis. Mijn vader ging trouw elke avond naar haar toe en bleef dan slapen tot de volgende ochtend. Na een paar maanden zei hij: “Ik kom morgen weer en dan ga je mee, anders hoef je nooit meer terug te komen.” Toen is ze meegegaan. Later heeft ze zo’n liefde voor Mossel opgevat, dat het tranen kostte toen ze daar uiteindelijk wegging.

Omdat mijn vader geen boer was, werd het land bebouwd met hulp van boerenknechts. ’s Ochtends vroeg besprak hij met ze wat voor werk er gedaan moest worden, en dan ging mijn vader naar zijn bezigheden buitenshuis. Zo was hij als voorzitter betrokken bij de fusies van alle melkfabrieken in Nederland, was hij commissaris bij verzekeringsmaatschappijen en nog meer. Hij was heel veel weg en zelden thuis. Zo heb ik horen vertellen dat de petroleumboer tegen iemand zei: “Dat is toch wat daar, die weduwe met die vijf kinderen op de hei.” Want al die jaren dat hij bij ons leverde, had hij mijn vader nog nooit gezien.

_mg_3350-boerderij-mossel-otterloBij ons huis was altijd al een theetuin. Tegenover het bakhuis stond een koepel, waar stoelen buiten stonden. Daar kon je thee drinken en later kwam er dan limonade bij. Maar mijn moeder wilde graag meer en zij zei: “Als ik hier wil blijven wonen, dan wil ik wat te doen hebben, dan wil ik pension houden.” Toen hebben mijn ouders het voorhuis daarvoor veranderd en zijn er naast een grote woonkamer negen slaapkamers gekomen.
Aan de overkant van de weg stond een schuur en die is toen verbouwd tot zomerhuis. Daar woonden wij dan van maart tot eind oktober. We verhuisden twee keer per jaar en de piano ging mee.

We hebben heel veel meegewerkt in het pension. In de zomer was het bakhuis onze keuken. Mijn moeder kookte daar altijd voor onze pensiongasten en wij wasten daar af. Met de hand, want ja, afwasmachines die hadden we natuurlijk niet.
Vóór de verbouwing tot pension stond er nog zo’n oud fornuis met een oven. Als het in de winter heel koud was, dan deed mijn moeder de oven open en dan konden de knechts hun voeten warmen. Tussen de middag aten ze daar hun boterhammen en ze kregen er altijd wat warms bij van mijn moeder. Zij was een heel goede gastvrouw en niet alleen voor de pensiongasten.
Mijn moeder was ook heel vroeg met het uitproberen van nieuwe dingen. Toen er macaroni, spaghetti, champignons en paprika kwamen, moest zij die gelijk proberen. Dan gaf ze de jongens dat ook en vroeg ze wel eens aan een van hen: “Jan, vond je het lekker?”  Waarop Jan zei: “Ik vond ‘t hartstikke lekker, maar ‘k hoop da’k ’t nooit weer krieg.”
Echt een goede gastvrouw was ze. En ja, ze was ook enorm goed in hoofdrekenen. Als er dan een rekening gemaakt moest worden, dan: zoemmmm….. zo allemaal achter elkaar uit het hoofd, geweldig. Onze moeder was wel een factor bij ons en ze was er altijd. En mijn vader, ja, daar moesten we van leren, leren moest!

_mg_3360-boerderij-mossel-otterloWe gingen in Otterlo naar de lagere school. Op de fiets, weer of geen weer, mijn vader bracht ons nooit. Als we dan zeiden: “Papa er ligt zoveel sneeuw”, dan zei hij: “Nou dan ga je maar lopen.” Dat deden we dan en het was voor ons heel normaal. Soms speelden we onderweg en dan kwamen we pas om half elf op school aan. Dan zeiden de leraren: “Oh, die arme kinderen van Mossel” en dan mochten we bij de kachel zitten om op te warmen. Maar wij hadden niet gezegd dat we onderweg gesleed en gespeeld hadden. We hadden best eerder kunnen komen.
In de winterperiode stond er op sommige momenten heel veel water op de wegen. Je kon er dan niet meer met de auto rijden. We hebben er zelfs geschaatst. Dat was zo’n beetje rond 1960. Later is dat water niet meer zo hoog geweest.

Voordat mijn zus en ik naar de mms gingen, hebben we ook nog even in Ede op school gezeten. We gingen met de tractor die we dan in het Edese Bos neerzetten, waarna we het laatste stuk liepen. We wilden niet dat iemand wist dat we met de tractor kwamen.
Toen we naar de mms gingen, hadden mijn zus en ik samen al een auto, een oude Vauxhall die we Tjoeks noemden. We waren toen iets van veertien jaar. Met die auto gingen we over de zandwegen naar Otterlo, waar we hem vlak bij de bushalte neerzetten. Met de bus gingen we dan verder. Later op de dag gingen we in omgekeerde volgorde weer terug. We reden al op heel jonge leeftijd, ook op de tractor. Als we meehielpen met het werk, was het nodig om op de tractor te rijden. Met een jaar of zes zat ik er al op. Dan moest je aanrijden voor de stro- en hooibalen die van het land moesten. Het ding werd in de versnelling gezet en hup….
Mijn vader had eens pootaardappelen die te groot waren. Moesten wij, mijn zus Ake en ik, achter op die aardappelrooier en dan moesten we die aardappels erdoorheen douwen. Maar behalve dit en het aanrijden met de tractor hoefden we niet op het land mee te werken. Een heel enkele keer, als er gelammerd werd, werden mijn zus en ik nog wel eens ’s nachts het bed uit gehaald, als er een lammetje verkeerd lag. Omdat mijn vader nogal grote kolenschoppen van handen had, moesten wij voelen en het beestje soms goedleggen.
In de weekenden verzorgden wij de kippen. Daar had ik wel de pest aan. Ik hield niet van kippen, ze pikten je vaak. Door de week hadden we voor dat werk een kippenknecht, die kon toen nog betaald worden van de eieropbrengst. In de herfst en de winter werd er licht aangestoken om de dag te verlengen. Dat ging met gaspotten die in de hokken stonden. Dat was om de kippen meer te laten leggen. ’s Avonds rond half tien liepen wij dan weer langs de hokken om de gaspotten dicht te draaien.
Behalve kippen en schapen hadden we geen vee op Mossel.

Elektriciteit kwam er pas in 1972, want we zaten daar hartstikke onrendabel. We hadden butagas en gaskousjes, overal gasverlichting, ook in het pension. Onze kachels waren op kolen, zoals iedereen dat had. Koelkasten hadden we pas later. Eén koelkast op petroleum en één op gas, butagas. Toen heel veel later de televisie kwam, hadden we een televisie op een accu. Als die accu leeg raakte, dan zag je het beeld zo klein als een speldenprikje worden. Bij de nieuwe accu moest je goed zorgen dat je de plus op de plus en de min op de min aansloot, anders was dat heel slecht voor de beeldbuis.
We hadden geen waterleiding. We pompten ons eigen water met een motor naar een grote watertank. Vanuit de watertank waren er kranen in het pension.
De was werd in grote ketels gekookt. Niet de was van het pension, die ging allemaal naar de wasserij. Dat wassen was best wel een gevaarlijk situatie hoor, de gaspot met slang naast het fornuis. En dan onze strijkbout….ook op gas. Dan zag je de vlammetjes binnen in de strijkbout. Als deze te heet werd, dan deed je hem uit. Totdat hij ver genoeg was afgekoeld en dan stak je hem weer aan.

Als gezin waren we erg op onszelf aangewezen. Vriendjes en vriendinnetjes in de buurt hadden we niet, wel van school. Onze eerste buur was de boswachter, meneer en mevrouw Minnen, ongeveer twee kilometer verderop. We speelden met hun kinderen, die wat ouder waren dan wij. Later speelden we ook met de kinderen die bij ons in het pension kwamen. Bij hen gingen we later ook logeren in Amsterdam, Den Haag en weet ik veel waar allemaal. We zijn als gezin ook nog eens naar tante Maby en oom Daan in Den Haag geweest. Die hadden daar een balletschool. Toen we terugkwamen zei mijn vader: “Verrek had je de deur niet op slot gedaan?” Nee dus, er was ook helemaal niks weg. We deden nooit de deur op slot, ook ‘s avonds of ’s nachts niet.

Op zondagmiddag gingen we vaak een eind rijden. In de omgeving of naar familie. De familie woonde in Overijssel, in Lutte aan de Dedemsvaart. Daar kwam mijn vader van oorsprong vandaan. Als we over de IJssel en de Dedemsvaart gingen, dan riepen wij: “Water! Water!”, want zagen wij op die droge zandgrond ooit een rivier? Toch nooit! Prachtig vonden we dat, met al die oude brugjes. Wij, kinderen van de zandgrond, butagaskinderen.

Op onze zandgrond waren ook veel militaire oefeningen. Als we op de fiets waren en er was een oefening, dan werden we door die militairen over de wegversperringen heen getild. Alleen als er een rode vlag was gehesen bij Roekel, dan mochten we niet doorfietsen. Dan werd er geschoten.
Mijn moeder vertelde dat tijdens de oorlog de Duitsers, Engelsen en Canadezen elkaar gewoon troffen, een sigaretje uitwisselden en elkaar foto’s lieten zien. Waarna ieder weer zijns weegs ging.

Bij het Kröller Müller museum, het oude, niet het huidige, was in de oorlog een noodhospitaal. Daar heeft mijn zus Ake nog eens gelegen met een verbrand been. Ze had difterie en moest naar het hospitaal. Daar hebben ze een te hete kruik tegen haar aangelegd. Als mijn moeder kwam, mocht ze het kind nooit uit bed halen, zelfs haar dekentje mocht er niet af. Toen ze er weer eens was met tante Diet, een verpleegkundige, heeft ze de zuster afgeleid. Toen zagen ze die brandwond. Die plek heeft ze altijd gehouden.

Later hebben mijn oudste broer en zijn vrouw het werk op de boerderij en het pension overgenomen. Dat was in 1972. Mijn ouders zijn toen naar de Hindekamp gegaan, want die hoorde ook bij de grond die mijn vader pachtte. Net als De Kreel, waar mijn jongste broertje woont.

Nadat ik weg was van Mossel miste ik het daar thuiskomen. Het is ook een tijd het huis van anderen geweest. Dat was best moeilijk. Maar het doet me enorm veel plezier om te zien hoe het nu weer verzorgd is en dat er nog steeds familie woont.’

Kijk ook eens op: