Boerenerven: ‘Iedereen is een kind van zijn tijd’

Gerard Weenink (geb. 1918)

Aan de rand van de es in Lievelde ligt Erve Kots, waar een erfenis van meer dan tweeduizend jaar boerengeschiedenis wordt bewaard. Landbouwer Bernard Weenink begon in de crisisjaren tegen de tijdgeest in met het openluchtmuseum. Zoon Gerard Weenink en zijn Marietje bouwden samen verder, het werd een mooie en sterke combinatie van museum en herberg. Erve Kots is puur en oorspronkelijk.  Alles komt hier samen: de verhalen, bouwkunst, ambacht, kleding, gebruiksvoorwerpen, koffie en pannenkoeken.  Gerard vertelt zijn verhaal aan de keukentafel op erve Pötterman, dat naast Erve Kots ligt.

Auteur Ina Brethouwer, beeldmateriaal Jan van de Lagemaat.

Lees dit verhaal in dialect.
Lees het verhaal van zijn vrouw.

‘In 1918 ben ik geboren, kort na de oorlog. Nu ben ik alweer in m’n 97e jaar. Mijn oma kwam van hiernaast, boerderij Kots op Avink. Haar ongetrouwde broers, mijn ‘eumkes’, woonden naast ons. Een mens is een eigenaardig wezen. Eigenlijk kan hij doen en laten wat hij wil, maar het is wel zo dat de omgeving bepalend is. Ook de twee oorlogen hebben mij beïnvloed, net zoals de crisis in de jaren dertig: de krach, de armoede. In die periode overleed mijn laatste oom, waarna mijn vader Erve Kots kocht. De boeren hier in de buurt begrepen er niets van. Zij zeiden: ‘Als dat van mij zou zijn, dan kapte ik al het hout en werd het een groot weiland’. In die periode en ook later was dat in feite financieel gezien wel ’t verstandigst. Maar ja, dan was er iets weg wat nooit terugkwam. Zo werd ikzelf later ook met de boerderij en het museum voor de keus gesteld, toen vernieuwing zich aandiende. Marietje en ik samen kwamen tot de conclusie: dat boeren doet een ander wel, maar als het museum weg is, dan is dat voor altijd. Daarom hebben we het in stand gehouden. Mijn broer was van 1912 en zou als oudste mijn ouders opvolgen. Dat is nu de kaasboerderij.

Bernard en Mina Weenink met jongste zoon Gerard in 1920

Het was een slechte tijd 1935, 1936. De mensen zagen ’t niet meer zitten, de moed zakte hen in de schoenen en er was veel werkloosheid. In die periode vond vader een klein potje dat hij een ‘ulkenpötjen’ noemde, eigenlijk een rare uitdrukking. Ze wisten niet hoe die potjes daar gekomen waren. Vader praatte met Jan Lueb, de bakker die wat kennis verzameld had. En daarna lieten ze het aan de burgemeester zien. Die waarschuwde de Dienst Oudheidkundig Bodemonderzoek. Meteen antwoord: ‘Ik kom! Holwerda’. Hij kwam met de trein. Vader vroeg de burgemeester: ‘Burgemeester kom je er ook bij, want als ’t een grote flater wordt, dan zit ik daar heel ongemakkelijk alleen met die professor’. De eerste vraag van Holwerda was: ‘Is die plek bijzonder?’ ‘Jazeker,’ zei vader, ‘van oudsher wordt gezegd dat het daar spookt’. ‘Dat moeten we hebben,’ zei Holwerda. In die tijd van werkverschaffing kon je werklui makkelijk oproepen. Na een paar proefgravingen zei Holwerda: ‘Weenink, dat is een Frankische begraafplaats’. Kort daarna keerden ze het hele terrein om. Bijna dertig graven werden blootgelegd. In feite had het wel vier keer zo groot kunnen zijn. Want het beleg van Groenlo vond plaats op deze plek, speerpunten, een grote bonk roest en loopgraven. Er is veel zand weggehaald, er liep ook een weg doorheen. In één graf lagen twee molenstenen op elkaar. Ja, dat was eigenlijk wel een vreemde tijd, waarin de molenaar bij zijn dood de stenen meekreeg. Zo waren ze zowel de molenaar als de stenen kwijt. Men heeft veertien dagen lang gegraven. Toen was het zaterdag net voor twaalf uur en was er nog één graf over onder dikke houtknoesten. Vroeger werd daar altijd elke negen jaar schelhout weggekapt, daardoor krijg je van die wortelknoesten in de grond. Ze zeiden dat daar ook een graf was, maar ze lieten het erbij zitten. Ze wilden maandag niet terugkomen voor dat ene graf. Als vader er zelf aan wilde trekken dan was dat in orde. Ze hadden al genoeg gegevens verzameld. Vervolgens vond vader daar tussen die wortels een kleine urn, maar ook kralen! Hij schepte al het zand en die kralen heel secuur in de kruiwagen en kiepte de inhoud bij Kots op de deel. Hij zocht alles bij elkaar en zag dat het een halssnoer was! Toen dus weer bericht naar Leiden. Professor Holwerda wilde heel graag dat snoer in bezit krijgen. Maar vader wilde het houden.

Bernard en zoon Gerard Weenink bij het kabinet in 1950

Hij zei ‘Je hebt me zelf gezegd: maak van die oude boerderij een museum, je bent een kind van de streek en jij weet hoe de dingen vroeger gingen’. ‘Goed,’ zei Holwerda, ‘dat is werkelijk het allermooist als het bewaard wordt op de plek waar het gevonden is’. Mijn vader realiseerde zich toen al dat er veel verdween in de streek. Later werd hij in zijn mening gesterkt door anderen. Zoals bijvoorbeeld kantonrechter Steenbergen uit Groenlo, die kende hij helemaal niet, voorzitter van de Oudheidkundige Vereniging de Graafschap, die ook een link met Borculo had en met de Meester Heuvelstichting. Zij hadden een vooruitziende blik om alles goed te bewaren, omdat het belangrijk is. En ze hadden gelijk. Die informatie en die urnen en dat soort zaken, dat werd niet begrepen of gewaardeerd in een tijd van armoede. Je kent vast wel het Duitse gezegde: Erst kommt das Fressen und dann die Moral!

Nu ja, in ’t begin was er slechts die oude boerderij. De oorlog kwam. Vader speelde graag harmonica en de mensen kwamen hier dan ’s middags dansen. Ze kwamen van alle kanten en ze vonden het geweldig op deze plek. De meesten van hen waren onderduikers. Eigenlijk maakten wij ons wel wat zorgen over een mogelijke inval.

Ontvanglokaal Erve Kots in 1954

Daarom deden we buiten af en toe de ronde. Mijn broer liep een keer rond de boerderij en kwam daar een Duitse soldaat tegen die zei: ‘Hier wird jeden Sonntag getanzt’. Dat was toch voor vader een teken dat hij niet langer voor de veiligheid van de bezoekers kon instaan. De daarop volgende zondag kwam de trein uit de richting van Winterswijk aan, vol met mensen en hun muziekinstrumenten. Zij wilden opnieuw plezier maken. Vader zei toen: ‘Dat is heel mooi en ik gun het je ook wel, maar ik wil toch liever geen schuld dragen dat jullie allemaal opgepakt worden.’ Jazeker kon ik bijenkorven vlechten, ik deed dat ook vaak. Ik maakte ‘gastokken’ en dat soort zaken. Er was in 1950 in Ahoy een grote tentoonstelling die een paar maanden duurde. Vader werd gevraagd om een wever, spinner, houtsnijder en dat soort lui te sturen. Ikzelf moest meegaan vanwege dat korven vlechten. Het klinkt een beetje opschepperig, maar ik had toen de leiding over die groep mensen hier uit de streek. Na de oorlog kwamen er vaak folkloredansers, die de dans van vroeger wilden leren. Vader speelde op de harmonica. Hij kon uiteraard niet muziek maken en tegelijk de dans voordoen. Dat moest ik dan zo’n beetje doen met één van de volksdansers. Ik was nogal verlegen, ‘n betjen bleu jöngesken. Die vrouw zei tegen mij: ‘Je moet me beter vasthouden, want zo kan ik toch niet dansen?’ Pas veel later werd ik makkelijker omdat ik veel met mensen omging. Ik zeg nu nog wel eens: vroeger was ik verlegen maar nu moet ik niet al te krankiel worden. Krankiel is gewoon een woord uit deze streek met de betekenis: vrijmoedig.

Gerard Weenink met de harmonica in de jaren zeventig

Mijn vrouw Marietje komt hier uit de omgeving. ‘Koop buurmans koe en trouw buurmans kind.’ De betekenis is, dat wie trouwt met een naoberkind ook weet wat hij vindt. Naobers onder elkaar kennen alle deugden en ondeugden. Het is niet zo dat het vroeger allemaal vanzelf ging of dat men geen ruzie maakte. Maar ze hadden goed in de gaten dat wanneer je vandaag met iemand ruzie maakt en dan morgen moet vragen: ‘Toe, help je mij want die koe moet kalven’ dat er dan iets scheef zit. Op de buren was men aangewezen, op allerlei gebied.

Bij Geessink van ’t Grotenhuis zag ik een oliemolen waar ik helemaal weg van was, zo mooi. Die wou ik kopen. Geessink was een beetje teleurgesteld. Er waren twee rosoliemolens, een in Zieuwent en de ander in Lievelde. Het Openluchtmuseum in Arnhem kocht die uit Zieuwent en niet die van Geessink. Ik zei hem dat ik belangstelling had voor de oliemolen. En hij zei (dat was de grootvader van de jongens): ‘Goed, ik zeg duizend gulden. Krijg ik dat niet, dan sla ik het ding met plezier met de bijl in elkaar’. Ik antwoordde dat hij een tractor had en een platte wagen en vroeg hem daarmee de molen bij Kots te brengen. Dat wilde hij wel doen, de oliemolen uit elkaar halen en hier brengen. Het hele spul lag hier een paar jaar en werd langzamerhand door mij opgebouwd. Toen het klaar was, wilde hij niet draaien. En dat is nu ’t verschil tussen een vakman en een boer. Wat ik wil zeggen is dat Ten Have [smid, red.] net zoveel geld kreeg voor het laten draaien als ik betaald had voor de oliemolen. In elk geval, ’t is niet verkeerd en ik gun het hem wel.

We mochten in die periode maar één zeug houden. Er kwam een eerste toom biggen en daar waren drie ‘gelten’ bij die gedekt werden. Toen kregen wij 21 vette varkens. Het was een primeur om zoveel ineens af te kunnen leveren. In ieder geval kon je toen van de opbrengst van één varken tien uur een ambachtsman betalen. Bedenk wel dat je daarvoor nu een hele stal vol varkens nodig hebt! We hadden een boerderij met een museum, waarvan de liefhebbers dachten dat het verkeerd zou gaan. De reden was dat in die tijd overal vee stond of lag bij Kots, behalve in de keuken. Waren het geen varkens, dan waren het wel kippen. ‘Weenink, i-j mot ne stichting maken’ werd gezegd. De bedoeling was goed, maar ja, wij hebben van de overheid nooit hulp gekregen om het gebouw eens radicaal te restaureren. Pas veel later kwamen er via een gemeente- architect wel verbeteringen, maar slechts gedeeltelijk en het werd niet zo mooi als zou moeten. Eigenlijk ben ik nog altijd van mening dat men mij tekort gedaan heeft.

Gerard Weenink vlecht een ‘huuve’ (mand)

Die meneer Steenbergen – de kantonrechter uit Groenlo – wilde Erve Kots kopen. Er zou dan geld genoeg zijn om het hier helemaal op te knappen. Dan zou ik er een mooi huis bij krijgen. Er werden ons prachtige zaken beloofd. Welnu, op een avond staken Marietje en ik de hoofden bij elkaar en praatten we erover. We zeiden tegen elkaar: ‘We hebben dat bezit nog maar pas geleden overgenomen van de ouders, nog maar een paar jaar is het ons eigendom. En dan moeten we in een gehuurd huis gaan zitten, al is dat nog zo mooi.’ Ik had het wel willen doen als er veiligheid tegenover zou staan, een andere boerderij terug in de plaats. Veronderstel eens dat voor de kinderen of onszelf op een later moment het nieuwtje eraf zou zijn, dan heb je niet meer een veilig iets op de achtergrond. Want uiteindelijk was het zo: er zou alleen voor ons tweeën gezorgd worden en voor de kinderen in feite niet. Wij hebben er goed over nagedacht. De verkoop is toen niet doorgegaan. Toen hebben ze het geld in Bronkhorst geïnvesteerd. De Bernard Weenink Stichting werd in 1972 opgericht. Burgemeester Van Bastelaar zat er toen net, de nieuwe burgemeester van Lichtenvoorde. Een oprecht mens, hij gaf ons goed advies. Wij ontmoeten elkaar nog steeds, na al die jaren. De combinatie van museum en herberg was ideaal en door het oprichten van de Stichting kon deze combinatie in stand blijven.
De herberg is voortdurend verbouwd en uitgebreid. Als je de geschiedenis nagaat: vroeger toen vader Weenink begon kwamen de mensen met de fiets, maar ook nog te voet. Later kwam er een bushalte Erve Kots. In de jaren zeventig en tachtig kwamen er elke week tientallen bussen met enthousiaste bezoekers uit Duitsland. Dat waren heel goede jaren. Daarna hadden steeds meer mensen een auto waarmee ze overal naar toe kunnen gaan. Erve Kots is tot op vandaag in stand gebleven. Onze zoon Ben en zijn vrouw Irma leiden nu de onderneming.’

Kijk ook eens op: