Boerenerven: ‘Genadebrood eten, in de hoek zitten blieven en joa knikken’

Annie Hoetink (Geb. 1944)

Annie Hoetink werd geboren op de boerderij, door haar grootouders gebouwd, aan de Flierderweg in Gorssel. Ze woonde daar met haar man Berend en hun vier kinderen tot een paar jaar geleden en zag hoe alles veranderde.

Auteur Stance Westerhoud, beeldmateriaal Jan van de Lagemaat.

‘Ik ben geboren in augustus ’44, net voor het gedonder in september begon met Dolle Dinsdag. Wij woonden in een kleine boerderij, drie hectare, maar wel helemaal zelfvoorzienend. We hadden kippen, varkens, koeien, een boomgaard, een grote tuin, graan, bieten en aardappels. We woonden in een buurt – de buurte – met allemaal kleine boerderijen. En iedereen hielp elkaar. Je had elkaar ook nodig. En alles ging met een gesloten portemonnee.

In de vijftiger jaren is dat alles radicaal anders geworden, mede ook door de

sociale voorzieningen. Vader Drees heeft prima voor ons pensioen gezorgd, maar dat hield wel in dat de mensen ook zelf premie moesten betalen en als je altijd met een dichte portemonnee werkte dan kon je geen premie betalen. In die tijd is de hele maatschappij, mede daardoor, veranderd. Alles werd zakelijker, alles moest betaald worden, alles moest verantwoord worden.

Al het werk op de boerderij gebeurde met de hand. Wel hadden wij als een van de eersten elektriciteit. Mijn vader liet een puls slaan achter het huis en de pomp die buiten stond, werd achter op de deel geplaatst bij de koeien zodat het water ’s winters niet meer bevroor. Mensen uit de buurt kwamen dan bij ons drinkwater halen.

Na de lagere school ben ik naar de Nijverheidsschool voor Meisjes gegaan in het dorp. Twee jaar primaire opleiding gevolgd met alle mogelijke lessen: kinderverzorging, koken, tafeldekken, opdienen, maatschappijleer en voedingsleer. Ik heb er naaien geleerd en huishoudelijk werk. Nou ja, dat was wel een beetje een lachertje. Je moest leren koper poetsen en borstels schoonmaken, flauwekul! En strijken: moest je drie kwartier doen over een handdoek of een theedoek en een sloop en een zakdoek. Als je het binnen die tijd klaar had, was het niet goed en moest je het over doen. Toen ik er eens wat van zei, was ik brutaal en werd de gang op gestuurd.

Oude Flierderkamp

Met veertien jaar ben ik van school gegaan en gaan werken. Eerst bij dorpsgenoten, maar later ook op een boerderij en daar heb ik het boerenleven pas echt leren kennen. Want ja, wij hadden wel een boerderij, maar omdat mijn vader naast de boerderij administratief werk deed, was het toch niet echt een boerderij waar je de hele dag mee bezig was. Nu kwam ik op een echte boerderij en leerde daar hoe je met vee om moest gaan en hoe te hooien. Ja, ik leerde daar van alles en vond het prachtig! Het heeft me ook gevormd in de zin van hoe je met personeel om kunt gaan. Op die boerderij was inwonend personeel en dat waren echte huisgenoten die deel uitmaakten van het gezin. Alles kon daar. Later heb ik wel gehoord dat het ook wel eens anders ging.

Daarna kwam ik in een gezin waar nog een opa en opoe in huis woonden en een ongetrouwde oom en ook een knecht. Wat ik me daarvan vooral herinner waren de enorme hoeveelheden wasgoed. Dat moest allemaal met de hand gewassen worden, zonder stromend water en dat water moest dan verwarmd worden in de fornuispot, een grote ketel waar ook het veevoer in gekookt werd. Nou, dan leer je wel werken! Verder waren het streng kerkelijke mensen. Het hele huis hing vol met Bijbelteksten. Er werd door opa zeer lang gebeden voor en na het eten, maar als de nieuwsberichten om één uur begonnen, met aansluitende beursberichten, moest iedereen de keuken uit want dan moest opa heel aandachtig luisteren. Opa had natuurlijk wel een heleboel centen en dat moest belegd worden, maar dat is natuurlijk niet echt Bijbels, hè? Nee, dat mocht niemand horen.

Daarna kwam ik in een boerengezin en daar heb ik gemerkt hoe het kan gaan met de opvolging. Eén generatie boeren was ongeveer 30 of 35 jaar, daarna kwam de volgende generatie. In de meeste gezinnen was het zo dat de opvolgende generatie de touwtjes overnam van de ouderen. Als het goed ging hadden de ouderen ook een functie binnen zo’n gezin: oppassen op de kleintjes en de klungelkarweitjes, in de tuin werken en kleinvee verzorgen. Dat leefde mooi met elkaar in harmonie, tot de volgende generatie het ook weer overnam. Zo hoort het eigenlijk. Maar ik kwam in een gezin waar opa en opoe de baas bleven. Ze hadden hun eigen kamer naast de keuken, hun slaapkamer, en ik merkte aan de boerin dat ze bang was voor haar schoonmoeder. De boerin lag in die tijd dat ik daar werkte ziek in bed en opoes wil was wet. Maar ik kwam in mijn onnozelheid daar en dacht: ik ga maar vlot aan het werk, ik ga de afwas doen en ik ga ook maar vast de pap koken voor na het middageten, dan kan hij alvast afkoelen en is het allemaal mooi klaar. Maar toen kwam opoe om 10 uur uit de slaapkamer en die wilde koffie zetten, maar die had ik ook al klaar. Ze zei niets. Toen ik het de boerin vertelde, schrok die enorm, want al die dingen mocht zij nooit doen, dat was de taak van opoe. De laatste week dat ik daar werkte, vroeg de boerin, die weer was opgeknapt, of ik mee wilde gaan kleren kopen voor de kinderen. Maar eerst moest ze nog even geld vragen aan opa en opoe. Ze klopte aan de slaapkamerdeur en toen zei ze heel deemoedig: ‘Ik wil nu naar de stad.’ ‘Oh,’ hoorde ik opoe zeggen, ‘dan zullen we het even overleggen’. De deur ging weer dicht, er werd wat gerommeld in die slaapkamer, en toen kwam er een envelop met geld, die werd haar in de hand gedrukt: ‘Daar moet je het maar mee doen’. Ik voelde haar vernedering. Ik ben met de rug naar haar toe gaan staan, ik wou het ook niet zien, zo erg vond ik het. Daar leerde ik dat ik het later nooit zo zou willen hebben. Ja, er was veel stil verdriet in die tijd. Er werd niet over gepraat, want je was van elkaar afhankelijk. Ook kwamen er veel gearrangeerde huwelijken voor, zeker bij de betere boerenstand. De boerderij moest groter worden en als de grond toch tegen elkaar aan lag, ja dan kon je ook maar beter een huwelijk arrangeren.

Een zuster van mijn opoe, tante van mijn moeder, was ongetrouwd gebleven. Ze was altijd huishoudster geweest bij boerengezinnen en de laatste jaren bij een familie in Vaassen, op de Veluwe. Tante Mina was 73 toen haar laatste werkgever overleed. De familie wilde de boerderij eigenlijk wel verkopen, maar tante Mina was er nog. Dat was toch wel lastig. Dus toen één van die familieleden toevallig mijn oom tegenkwam in Zwolle op de veemarkt zei hij: ‘Hekkelman, die oude tante van jullie, die moet nu maar naar jullie familie toe, want wij hebben haar niet meer nodig. Binnen drie maanden moet ze hier weg zijn en jullie zoeken het maar uit. En o ja, ze heeft ook nog een kastje.’ Dat was alles wat ze had. Een klein kastje voor wat spulletjes en de kleren die ze aan had. En ook een bijbeltje. Daar had ze haar hele leven voor gewerkt. Na familieberaad kwam ze uiteindelijk bij ons in huis. Dat viel niet altijd mee. Voor mij niet, ik was net aan het puberen, maar ook vooral voor mijn moeder niet. Die had last van epilepsie en er kwam een moment dat het echt niet meer ging. Toen kwam er een periode dat tante Mina iedere zes weken bij één van de zes zussen ging logeren. Zolang ze nog wat karweitjes kon doen, ging dat nog wel. Maar tante Mina werd oud en op een gegeven moment kwam ze bij ons in huis terecht. Berend en ik waren inmiddels getrouwd en hadden twee dochters van 4 en 6 jaar. Het heeft een week geduurd en dankzij de huisarts, dokter Dekker, kon ze toen op de Borkel terecht waar ze toch nog 100 is geworden. Dat had met het boerenwerk op zich niet zoveel van doen, maar het is toch wel een beeld van hoe het in die tijd was, en daarom is het goed dat er sociale voorzieningen zijn gekomen. En niet meer ‘genadebrood eten, in de hoek zitten blieven en joa knikken.’

De naaste buurman was niet de buurman die naast je woonde. Nee, de naaste buurman, in mijn kindertijd, was de buurman die misschien wel drie kilometer verderop een paard en wagen had. Niet alleen een paard, maar een paard met een koets. Want dat was degene die kon zorgen dat je in geval van nood naar het ziekenhuis kon, die werd geroepen als er een begrafenis was. Als buur was je dan ook afhankelijk van zo iemand. In de tijd dat mijn ouders gingen trouwen was de naaste buur Leunk. Die had een boerderij op het stuk grond wat nu plan Reuvekamp is en wat zich uitstrekte tot aan de Flierderweg en het Amelte. Een enorm stuk land dus. Buurman Leunk moest dus met zijn rijtuig het bruidspaar ophalen. Eerst mijn moeder, die woonde op boerderij De Prins, ook aan de Flierderweg en toen mijn vader. Het was december ’34 en hartje winter. Buurman Leunk haalde hen op en bracht ze naar het gemeentehuis, daarna naar de kerk en vervolgens naar de Zessprong waar ze de bruiloft hielden. Ze gingen wonen in Eefde, aan de Lindeboomweg, dus een klein eindje verder maar. Maar dat was Eefde en daar hadden ze een andere naaste buur. Dat was Van Zeijts, die heeft dus het bruidspaar opgehaald vanaf de Zessprong en naar huis gebracht.

Johanna en Berend (Bertus) Braakhekke in 1934 voor De Flierde

Bij een begrafenis was er een strikte rolverdeling. De naaste buurman werd als eerste gewaarschuwd en die ging naar de timmerman. Die timmerde de kist die naar het sterfhuis moest worden gebracht door de naaste buurman. Ook was de naaste buur bij het kisten aanwezig. Was iemand in het ziekenhuis overleden, dan zorgde de naaste buurman ervoor dat de overledene werd opgehaald en thuis gekist en opgebaard werd. De directe buren hielpen met alle praktische zaken waarbij de buurvrouw die het dichtste bij woonde de taken verdeelde.

 

Wasdag. Annie Braakhekke aan het werk.

Mijn overgrootouders waren pachtboeren en verhuisden dus nogal eens. Toen hun zoon Berend trouwde en geld kon lenen van de boer waar hij werkte, boer Lubberdink, heeft hij de boerderij aan de Flierderweg gebouwd en zijn ouders in huis genomen. Die konden zo voor de kinderen zorgen. Er kwamen er zes, waaronder mijn vader. Wel moest mijn grootmoeder, zwanger of niet, meehelpen op het land met de oogst en ook wel andere werkzaamheden doen voor de boer. Dat was zwaar voor haar en ze is dan ook niet erg oud geworden, 55 jaar. Mijn grootvader kon dit niet verwerken en pleegde niet lang daarna zelfmoord. Mijn ouders waren toen net 5 jaar getrouwd en na familieberaad is toen besloten dat mijn ouders naar de boerderij zouden verhuizen.  Al in 1937 werd er gewerkt aan een voedseldistributieplan voor het geval er een oorlog uit zou breken. Mijn vader werd hiervoor gevraagd als controleur, wat hij de hele oorlog heeft gedaan. Hierdoor kende hij nogal wat boeren in de omgeving en bouwde hij een vertrouwensband met hen op. Zo wist hij waar bijvoorbeeld onderduikers zaten en omdat er dan ook extra eten moest komen, verzon hij altijd wel wat om tijdens de controle even een kwartiertje weg te zijn, naar de wc of zo. Zo gaf hij gelegenheid om wat zakken meel of andere spullen opzij te zetten. Ook wij hadden een Joodse onderduikster in huis, dus vader begreep het allemaal heel goed.

Na de oorlog kreeg vader te maken met de administratie van de net opgerichte gezinsverzorging. Uit het contact met zuster De Hen, maatschappelijk werkster in Gorssel, is toen het idee ontstaan om, als het nodig was, niet alleen een zieke moeder te vervangen, maar ook een zieke boer. De tijd van gesloten beurzen was immers voorbij. En zo is de bedrijfsverzorging in Gorssel begonnen met Johan Klein Geltink uit Almen. Daarna is er een soort coöperatie opgericht, want het moest wel handen en voeten krijgen. Er is dus veel veranderd in de boerenwereld. Het gemoedelijke is weg. En ja, het was een mooie tijd door de hulp onderling, maar de dwang die erachter zat, wordt vaak onderschat. Het wordt volgens mij wel eens wat teveel geromantiseerd. Aan de andere kant: niemand had wat en iedereen was gelijk. Maar je kunt de tijd niet terug draaien en daar ben ik ook wel blij om.’

Kijk ook eens op: