Boerenerven: ’Breng er dan maar één mee!’ antwoordde de graaf

SONY DSCCees Verbeek

Cees Verbeek is in 1922 in Renswoude geboren. Een eenennegentigjarige, vriendelijk en wijs man met een ijzeren geheugen. Het grootste deel van de oorlog maakte hij door in Harskamp. Tegen de tijd dat een jonge boer wilde gaan trouwen en een eigen plek zoeken zo net na de oorlog, werd het lastig voor hem om een plek te vinden. Ik kan me nu een voorstelling maken hoe een jonge boer zijn geboortegrond in Gelderse vallei verliet. Een voorheen onontgonnen plek in een bos en heideveld tot ontwikkeling bracht en zijn boerderij De Pionier noemde. Na hem volgden nog vier jonge boeren uit deze Gelderse streek. Zij gaven mede vorm aan een nieuw agrarisch gebied in de buurtschap Hessum bij Dalfsen. In december 2013 is de heer Verbeek overleden.

Auteur tekst Eefje Huisman en auteur beeld Ron van der Duyn

“Ik was knecht in Harskamp. Daar heb ik de hele oorlog meegemaakt. De oude vrouw leefde nog en was eigenlijk de boer. Haar zonen Jan en Willem waren oude vrijgezellen. Jan was de boer als het er op aan komt. Willem was veel ouder en niet zo’n geweldige boer, het scheelde hem niet, hij was liever tuinder of het een of ander aan het prutsen. Jan zei: ‘Een boer moet meer weten dan een minister.’ En dat is wel zo, je moet overal verstand van hebben. Van een koe, een varken en van een paard. Van handel, van grond, wat voor mest er op het land moet en hoe je het moet bewerken.

1924 Cees 2 jaar oud, linksPaardenknecht was ik. Alles wat met paardenwerk en hun verzorging te maken had. Melken moest ik ook, en ander werk. Met de paarden moest ik ploegen, eggen, maaien en zaaien. Daar moesten ze speciaal een paardenknecht voor hebben. Ze hadden een grote boerderij. Meer dan dertig bunder. Bouwland en grasland. Ze molken achttien koeien, dat was al heel wat meenden ze. Met zijn drieën, dan had je ieder zes koeien. Als het ‘s zomers heel druk was, gebeurde het wel
eens dat Jan zei: ‘Je moet maar direct na het opstaan met de paarden naar het land toe. Willem en ik zullen met zijn tweeën wel melken.’ Dat was met de korenbouw of ik moest ploegen of het één of ander.

Op een dag, begin augustus 1944 was ik ’s morgens heel vroeg op om de paarden te voeren. Zak ik zo naar de grond. Hartstikke ziek. Zo in één keer. ‘Je moet naar bed, niks aan te doen’ zei Jan. Ik had het wel heel machtig in mijn keel. Hevig, oh, slijm, heel bar. Toen hebben ze toch de dokter gehaald. Ik snap niet hoe want telefoon was er niet. Wij sliepen boven de koeien, de keet noemden ze dat. De dokter kwam de trap op en heeft alles bekeken. Een dag later had Riek het ook. Heel raar was dat, we hadden toen nog helemaal geen verkering met elkaar. Dat is later pas gekomen. De dokter zei: ’Nu weet ik het, het is difterie. Allebei direct een spuit.’ Het kwam wel meer voor in die tijd en was heel gevaarlijk. Het klopte precies met mijn benauwdheid. We moesten een hele poos op bed liggen. Op de achterdeur kwam een plakkaat met: ‘DIFTERIE’ erop. Daar waren de jongens aan de ene kant blij mee want dan kwamen de Duitsers ook niet. Dat hebben we er heel lang op laten zitten. De dominee is ook nog bij me geweest. ‘Dat kan heel verschillend uitvaren’ zei hij. ‘Wat dat betreft heb je aardig geluk, want het gebeurt ook wel eens dat die hele spuit niet helpt.’ Ik was erg ziek en een hele poos uit de running vanzelf. Ze hebben ginds een neef vandaan gehaald, die moest het overnemen want het werk moest doorgaan.

SONY DSC
SONY DSC

In de laatste weken van de oorlog is de oude boerin heel onverwachts overleden. Vierenzeventig jaar is ze geworden, maar ze was oud gekleed daardoor zag ze er ouder uit. Ze hadden net een varken geslacht en die hing daar op de geut. Maar het was heel wat, ja. Er waren evacués uit Arnhem in huis. De familie, die allemaal ver weg woonde, kwamen met paard en wagen. De vrouwen reden mee in de rijtuigen naar de begraafplaats. De mannen moesten lopen, dat hele eind. Onderweg kwamen we Duitsers tegen, ze gingen netjes aan de kant staan. Die hadden er wel eerbied voor.

Toen de bevrijding in zicht kwam, zou ik nog doodgeschoten worden door de Engelsen in plaats van door de Duitsers. De geallieerden zaten in Apeldoorn en gingen richting Den Haag. Ze kwamen langs Otterlo, Harskamp, Lunteren en zo verder. De Duitsers liepen al terug. Die zaten overdag in de bossen van Harskamp. ’s Nachts kwamen ze eruit. Ze gingen dan om de geallieerden heen om hen in de loopgraven bij Otterlo af te schieten. Dat was stom, de geallieerden hebben ze allemaal de kop afge… Oh verschrikkelijk.
De Engelsen waren er ook met vliegtuigen. Het was een heel gevaarlijke tijd. Waar wat bewoog daar schoten ze op. Het was op een donderdag, Jan was naar de markt. Willem zegt tegen me: ‘Cees, er is hier iemand die vraagt om een vrouw uit Harskamp, die haar been gebroken heeft, naar het noodziekenhuis bij het Kröller Möller te rijden.’ Dat wil ik wel doen, zei ik. Het rijtuig kon ik bij de buurman halen. Waarom de buurman het niet deed weet ik niet, of hij het niet durfde? Ik was een jonge kerel.

SONY DSC
Er was een grindweg daar. Het paard had ijzers onder en ijzer beslag onder de wielen, dus het kraakte en kraakte. Ik was nog maar eventjes weg toen kwamen er twee vliegtuigen aan schijnbaar. Dat kon ik niet zien vanaf het rijtuig. Vanaf Harskamp kwamen twee fietsers, die gingen de sloot in. Ik dacht nog, je hoeft voor mij niet bang te zijn en de sloot in te gaan. Maar toen kreeg ik het in de gaten. Twee vliegtuigen achter elkaar, heel laag en die schoten op mij. Ik zag op de weg dat het vuur voor het paard heen vloog. Het paard is helemaal van streek geraakt, die sloeg op hol en ging er in draf vandoor. De Engelsen zijn omgedraaid, schoten voor de tweede keer op ons en hebben ons niet geraakt. Dat is toch een wonder, dat is toch een wonder!!! Eerlijk waar. Ze stonden allemaal te kijken toen ik thuis aan kwam lopen met het paard aan de bek. De evacués, iedereen. ‘Sjonge jonge wat heb jij geluk gehad, je had een witte vlag op moeten doen’ zeiden ze. Maar toen ik een paar dagen later met mest het land op ging schoten ze ook, ondanks de witte vlag. Daarna was het snel afgelopen met de oorlog.

SONY DSC

Riek en ik hadden verkering toen deze mogelijkheid in Dalfsen zich voor deed. De graaf had grond, waar hij een boer op wilde hebben. Die moest zelf een boerderij bouwen. Dat wilden de boeren hier niet. Hij kon het niet voor elkaar krijgen. Flinke jongens en zo, maar hun ouwe lui zeiden: ‘Ben je gek, je moet niet gaan bouwen op andermans grond.’ Tegenover het kasteel in Dalfsen woonde een boer wiens broer bij ons in Renswoude, melkrijder was. Deze boer uit Dalfsen zei tegen zijn broer: ’Joh dit is iets voor jou. Dertig bunder, dan hoef je geen melk meer te rijden. Kom maar hier naar toe.’ Ik had dat gehoord en dacht op een zaterdagmiddag, kom ik ga maar eens een praatje maken met de melkboer. Ik was helemaal niet direct van plan om naar Dalfsen te gaan.

De melkboer heeft het uitgelegd: ‘Het zit zo, ik heb tegen de graaf gezegd, dat doe je niet goed. Dertig bunder is veel te groot, dat krijg je nooit goed aan één boer. Je moet er twee hebben.’ ‘Breng er dan maar één mee,’ antwoordde de graaf. ‘Weet je wat, volgende week donderdag ga ik er naar toe, ga maar met me mee’ zei de melkboer tegen mij. Wij kenden Dalfsen helemaal niet, ik heb het er met vader over gehad. We zijn er die dag geweest en hebben met de graaf en de rentmeester gepraat. Daarna zijn we rond gelopen. Van de gindse kant had je zo’n hoge bult. De melkboer had het schijnbaar al voor elkaar en zei tegen mij: ‘Cees, hier wil ik bouwen en jij gaat daar bouwen.’ Door omstandigheden heeft de melkboer zich een week later teruggetrokken.
Frans, mijn jongere broer, had ook verkering en ik zeg tegen hem: ‘Wil jij niet meegaan man?’ Dat wou die wel. Wij naar de graaf toe en gepraat. ‘Nou’ zei de graaf, ‘als je mekaar duld dan vind ik het best.’ Ja, want hij was al lang blij dat hij een paar mensen had die dat aandurfden schijnbaar. We moesten nog vertrouwelijke gegevens hebben en lieten navraag doen bij baron Taets van Amerongen en bij de zaakvoerder van de Coöperatie. We hebben er niks meer van gehoord dus dat was akkoord. Het werd allemaal beschreven en we kregen vijftig jaar opstalrecht. Een ander verkocht de grond maar de graaf wou niet verkopen.

Daarna ging het praatje rond in Renswoude. Er waren in die tijd een aantal boeren die op een boerderijtje boerden waar ze vanaf moesten. Ik ga daar eens kijken zei er één. Die ook met de graaf gepraat en hij had wel twintig bunder. Daar weer een “zwager” van wilde ook wel. Ondertussen was onze “buurman” bij ons gekomen en heeft tegen vader gezegd: ‘Je moet aan de graaf vragen of hij voor mij ook nog wat heeft.’ Nou’ zei de graaf tegen vader: ‘In de toekomst wel maar nou nog niet, als het zover is dan zal ik het je laten weten.’

Maar die “zwager” van de boer die 20 bunder had ging ook praten, dat duurde wel even maar hij kreeg het voor elkaar. Nou toen kwam onze “buurman” huilend naar mijn broer Dirk Aart: ‘Het is voorbij, oh!! Mijn neef heeft het nu.’ ’s Morgens heel vroeg onder het melken, vader lag nog op bed. Die is opgestaan en rechtstreeks naar Dalfsen gegaan waar hij met de graaf is gaan praten. Daar was de graaf nog niet klaar mee. ‘Ja,’ zegt de graaf, ‘dan had je maar eerder moeten wezen hé.’ ‘Hó ho, dat past niet,’ zei vader: ‘U bent graaf van Rechteren en ik ben onderdanige, feitelijk. U hebt gezegd, als het zover is, dan laat ik dat weten. Een man, een man, een woord, een woord.’ De rentmeester heeft dat later verteld: ‘Hij was heel scherp, Verbeek was heel scherp.’

SONY DSC

‘Nou dan weet ik het wel’ zei de graaf, want het was een boerderij van achtentwintig bunder, ‘dan krijgt ieder de helft.’ De “zwager” had het al helemaal voor elkaar gemaakt. Een hoop eisen en alles op papier. ‘Maar, ho eens,’ zei de graaf: ‘Het gaat wel wat anders. Je krijgt de helft, want zo en zo is het geval.’ ‘O’, zei de “zwager”: ‘Oh, nou weet je wat, ik wil alles of niks’. ‘Dan zijn we gauw klaar’ zei de graaf, ‘dan krijg je niks.’ Zo is ’t gegaan, zo is onze “buurman” daar gekomen op achtentwintig bunder. Aan de andere kant van de weg. Wij hadden ieder vijftien bunder Frans en ik. Aan die kant van de weg kwam er nog één met vijftien bunder. Het is allemaal veel meer geworden in de loop van de tijd, want er zijn veel boeren weg gegaan. Van de twintig boeren zijn er nu nog elf, dat verdeeld zich allemaal.
De Pionier heeft nu meer dan eens zoveel. Meer dan veertig bunder.

We hadden een knechtje en een meidje. Toen kwamen de sociale voorzieningen. Al die boeren konden dat niet betalen. Het loon dat ging nog wel maar de sociale lasten waren veel te hoog. Dat kon bij een boer niet uit. De mensen van Mansholt meenden: ‘Dan houden ze vanzelf wel op, want dat kunnen ze toch niet aan.’ De mechanisatie kwam. Daar heeft hij zich wel op verkeken, want de melkmachine maakt het niet uit of je er nou tien melkt of honderd. Die wordt niet moe. Vroeger was het zo, op elke zes koeien moest je een melker hebben. Met de melkmachine… daar is zowat geen eind aan, of dat allemaal goed is? Dat weet ik ook niet.”

Kijk ook eens op: