Leven met water: “Dooie biggetjes, kippen, rauwkransen uit Oeding en daar zwom je ook nog in.”

Willem Buunk (Geb. 1942)

Een schitterend plekje is het hier, romantisch. Enkele huizen staan om een watermolen langs de Boven Slinge gegroepeerd, bij het natuurgebied de Bekkendelle. De oude molen stamt uit 1652. Het bedrijf, sinds 1991 is het een restaurant, wordt met verve beheerd door alweer de vijfde generatie. Als ik mijn fiets weg zet komt Willem Buunk, gepensioneerd molenaar, net de schoppe uit. Hij zit nooit te niksen, hier is altijd wat te doen. Voor mij heeft hij wat tijd vrij gemaakt om zijn verhaal te vertellen.

Verhaal Birgitta Zegelink, beeld Wim te Selle (behalve indien anders vermeldt).

“Ik ben in 1942 hier geboren, aan de overkant van de beek. Daar woonden mijn vader en moeder en opa Berenschot, allemaal onder een groot dak. Vroeger was het een boerderij met achterin koeien. Waar we nu zijn, is de watermolen. We zijn nou helemaal bovenin de watermolen: er is in de jaren 20 een verdieping bij opgezet met een plat dak, want ze hadden toen ruimtegebrek.

Watermolen Berenschot (bron: wikimedia commons).

Wij jongens waren altijd buiten in het bos, in de beek, vaak met een schepnet. We hadden weleens een dikke snoek te pakken, die ging dan in de pan. Het was elke dag spannend wat er zat. Groene hagedissen en vissen, vooral de beekprik, zo’n paling-achtig visje. Daarvan had je weckglazen vol. Het wemelde hier ook van de kreeften. Daar hadden we natuurlijk schrik voor als we gingen zwemmen. Er waren twee soorten in, er waren van die donkere en van die grote groenblauwe, dat waren echt grote kreeften. Het water was toen schoon, maar niet altijd. Er werd van alles in de beek gekieperd. Dooie biggetjes, kippen en rouwkransen uit Oeding, en als jongen zwom je daar ook nog in. Je dacht: nou ja, dan maar een eindje uit de buurt zwemmen.
Mijn zus was twee jaar jonger. Het lag voor de hand dat ik in het vak zou groeien. In begin jaren ‘60 ging ik naar de molenaarsschool in Wageningen. Dat was echt een vakschool. Ik leerde voor het werk met de hamermolen, thuis ging dat met stenen, molenstenen. Dit was de molen van opa: alles werd met waterkracht aangedreven. Stenen scherpen had ik ook geleerd. Ja, en dan kom je thuis en dan zei m’n vader: ‘Laat maar ’s zien wat je er van kunt!’. Dat valt dan tegen hè, dan lig je op de knietjes op zo’n steen en dan moet je dat helemaal uitrijen. Het moest allemaal uitgevlakt worden. De onderste steen, de ligger, die moet horizontaal zijn en de loper, de bovenste steen, die staat heel ietsjes hol. Er is iets ruimte en de korrel komt ertussen klem te zitten.

Raderwerk watermolen Berenschot met Willem Buunk

Als jongen stond ik nogal eens bij te kijken bij de stuw die opa en mijn vader bedienden. Het was altijd spannend. Toen ik een beetje spierballen begon te krijgen moest ik al eens helpen. Als het hoog water was moest zo’n kleine stuw er uit. Het waren allemaal kleine stuwtjes. Dan kwam je soms handen te kort en moest je wel met twee man zijn: vasthouden en opkrikken. Met een koevoet trok je die op, maar je kwam een keer op een dood punt uit als dat schot boven water uitkwam. Dan viel die of om of hij glipte weer naar beneden. Dus moest je dat klemzetten en dan voorzichtig er uittrekken en dan had het water een vrije doorgang. Er zaten een stuk of vier, vijf van die schotjes in en die wogen wel bijna honderd kilo. Die waren van hout en kletsnat; daar groeide mos aan. Het grote rad buiten werd bediend met een apart schot. Die trok je iets op en daar kon je het gewenste toerental mee maken. Ook de kracht van de waterstraal tegen de schoepen kon je regelen met dat schot door het voldoende op te trekken. Het kostte wel zo’n twintig PK krachtstroom om de zware stenen te laten draaien op de bovenste loper.
Je was afhankelijk van de waterstand en de regelmaat van aanvoer van water. Als het te hoog was viel het water in de molenkolken terug op de schoepen, dat remde af. Je had ook last van drijfhout. Dat moest er niet tussenkomen. En ‘s-zomers was er heel weinig water. Gelukkig was het dan vaak veel minder druk om te malen. Je kon dan maar een paar uur malen en dan was het water weer op. Dan werden de laatste gaatjes van de stuw nog dicht gepropt met krantenpapier of ’n stukje van een jutezak. Want in de nacht kon het waterpeil weer stijgen en dan kon je de andere dag toch weer een uur langer malen. Het graan kon niet allemaal tegelijk worden gemalen en het weer zat ook weleens tegen. Je moest altijd rekening houden met het weer. Vooral in de zomerdag kon er plaatselijk zoveel water uit een onweersbui komen, dat je je daar knap in kon vergissen. Het kon hier bijna droog zijn en verderop kwam het met bakken uit de lucht. Dan kon het fout aflopen als je toch de deur uit ging.

Oude gevelsteen van de Nieuwe Molen

Ook ’s winters met ijs moest je echt oppassen. Toen ik nog maar zo’n knaapje was stonden de ijsschotsen eens voor het huis. Van de brugleuning was weinig meer over. Als er een dikke plaat ijs op de beek ligt en het gaat daarna heel hard regenen, dan gaat het water stijgen. En dan moesten we heel gedoseerd de stuw trekken. Trokken we die te snel dan zakte het water te hard, braken de schotsen en ging het schuiven. Als er dan nog meer water kwam, ging de hele zaak aan ’t kruien. Mijn opa zei altijd: ‘jongen, als je dan trekt, zorg er voor dat de ijsplaat op de plek blijft liggen’. Dus niet te hoog laten opbollen en ook niet te laag want dan knapt die. Met een dag dan was het ijs wel bros geworden en dan gebeurde er niks meer. Maar je moest wel weten wat je te doen had. Dat kon je niet uit een boekje leren, je groeide ermee op. Dan dachten we: ‘Het komt wel goed, ik heb genoeg balkjes uitliggen, dat water kan er vannacht wel door’. Maar als het niet lekker aanvoelde… Het gebeurde meestal in de winterdag dat er hoogwater was en er niks meer in de grond wegtrok. Dan zat alles vol. Vooral in een koude nacht met regen. Dan moest je met twee man zijn. Als het vroor, was het glad en  dat ging soms maar net goed. Ik heb zo’n zestig jaar de stuw bediend met ’s nachts de gedachte: ‘Gaat het goed, moet ik niet uit bed komen en de stuw bedienen?’. Op een gegeven moment heb ik een alarm gemaakt met een vlotter. Als het balletje naar boven kwam, ging er een grote toeter.

Ik kon aan het water ruiken of het ging stijgen of zakken. En ook de kleur, daar heb je zo’n gevoel bij. Veel zand geeft een gele kleur, en wanneer het water hard wegloopt gaat het zand van de bodem ook schuiven. Op de bodem liggen vaak rottende bladeren, dan wordt het water zwart en gaat iets stinken. Allemaal kleine verschillen, daar keek ik naar. Dan kon ik zien of het ergste was geweest.
Vroeger stond hier ook een windmolen. Die is verdwenen omstreeks 1900. De onderbouw heeft er nog een poos gestaan. Daarna is een dieselmotor geplaatst die het drijfwerk in de molen aandreef en ook enkele machines. Het was hier misschien wel het grootste maalgebeuren van Winterswijk: een windmolen, een watermolen en aan de overkant heeft ook nog een olliemölle gestaan. In 1749 is de watermolen herbouwd. De oliemolen is verdwenen. Ik heb nog eens een stuk ervan onder de brug gevonden.

In de oorlog was er geen stroom maar met waterkracht kon mijn vader graan malen. Aan het eind van de oorlog moest de brug eruit. De Engelsen kwamen en die waren van plan om met dynamiet dat hele spul te laten ploffen. Mijn vader kreeg met behulp van buren de brug eruit. Toen is er een poos een heel smal noodbruggetje geweest. Van andere molens en bruggen hier in de buurt bleef toen weinig over.
De oude stuw zat er in tot in 1960. Ik was achttien jaar toen we hier een gigantische overstroming kregen. Drie dagen had het geregend, en op vijf december liep het water overal heen en zat er een boom voor de stuw. Het was een noodsituatie. In het huis van de buren ging het water onder de fundering door. Een hele hoek van het huis knapte uit elkaar. Het water liep ook onder de fundering door van de kunstmestschuur, die begaf het ook. In de schoppe stond een halve meter water, hier in de watermolen liep het zo aan het asgat naar binnen, het liep overal door. Alles ging drijven en alle rommel ging voor de stuw zitten. En onder de brug, je kon er niet bij. Dan stond je echt met de handen in het haar. We hebben wel 20.000 gulden schade gehad. Dat vergeet je nooit meer. Het water gaat ergens door, zo sterk is water en natuur, dan ben je nergens…
Onder de brug zaten weleens dingen klem: benzinevaten, hokjes of bootjes. Als het water dan ging stijgen, dan dacht ik: hoe krijg ik dat ding er onderuit. Ik had altijd wel een lange stok met een zaag eraan, een snoeizaag, voor als er een lange boom dwars voor zat. Een keer hebben we de planken van de brug afgehaald om de zaak er onder weg te krijgen. Ik zei tegen mijn vader: dat kan zo niet, je hebt zo veel last van drijfhout en rotzooi. Na 1960 hebben we een andere stuw gemaakt. De kleine schotjes moesten er uit en dat werd een bredere stuw met allemaal lange schotten, die kon je dan met een takeltje optrekken. Drie kleinere schotjes kon je opdraaien, dan kon het water zonder problemen makkelijker weg.

Watermolen Berenschot met in de achtergrond de silo (bron: wikimedia commons).

De silo is in 1964 gebouwd. En later kwam de brokkenpers. Daar heb ik vijfentwintig jaar bij gestaan. Dat was mooi werk, maar wel zwaar. Alhoewel, toen kwamen de bulkwagens al en waren wij van het zakgoed af. Voor ’64 was het zakken sjouwen. Een zak mais woog tachtig kilo, voertarwe zeventig kilo, gerst vijfenzestig, en haver had een groot volume, die zakken waren zestig kilo. Een zak vol rogge was ook zeventig kilo. Dat werd allemaal met de ketting en een luiwerk naar boven getrokken en hier opgestapeld, waar we nu zitten. Het werd in een voorraadbak gekiept en dan kon je dat met de hamermolen malen, of eerder met stenen. Onderin de molen werd het meel opgevangen in zakken. Daarna werd het vaak nog eens naar boven getrokken in een mengketel, voor een mengsel van verschillende soorten graan. Daar gingen vitamines en mineralen door en dan had je een volledig meel voor kippen, voer voor varkens of koeien, of paardenbrok. Dat had ik allemaal geleerd op school.

Begin jaren ’70 werd er nogal eens gier in de beek geloosd. Dat stonk, dat kon je gewoon ruiken, vooral kalvergier, dan heb je ook zo’n crèmekleur in het water. Daar dacht men toen niet zo over na. Maar duizenden vissen gingen kapot door zo’n lozing. Oh, het was zielig om te zien: dikke karpers vlogen hoog het water uit, sprongen op de oevers. We hebben toentertijd verschillende keren de stuw moeten trekken om ze te redden. Dan kwam er weer beweging in het water en konden de half-bedwelmde vissen weer bijkomen in de Bekkendelle. In de bovenloop zijn veel visjes verdwenen.
Het beheren van de stuw is sinds 2015 overgegaan naar het Waterschap. Er is een automatische stuw geplaatst. Een eind verder hebben ze vistrappen gemaakt en sindsdien is de bodem van de Bekkendelle verzand. Dus het waterrad hangt nu bijna altijd in het water. Daar is niet over nagedacht. Ik denk dat ze de verzanding enorm onderschat hebben. Dus… foutje!”

 

 

 

Kijk ook eens op: