Leven met Water: “Al het afvalwater ging zo de sprengenbeek in..”

Wim Kers (Geb. 1935)

“Snap je waarom ik juist op deze plek wilde afspreken?”, vraagt Wim Kers na afloop van ons gesprek. We zitten bij de Hamermolen in Ugchelen, een vroegere wasserij die nu omgebouwd is tot training- en vergadercentrum. Buiten stroomt de sprengenbeek over een fraai gerestaureerd waterrad. Schuin tegenover ligt de papierfabriek Arjo Wiggins Security, voorheen Van Houtum en Palm. Wim Kers was van 1960 tot 1980 hoofd Technische Dienst bij deze fabriek. Een tijd waarin er in de papierindustrie veel veranderde in de wijze waarop met water wordt omgegaan.

Verhaal Jeanine Jentink, beeld Jan van de Lagemaat.

“We zitten hier in het hart van het onderwerp, bij de koppelsprengen. Aan de overkant staat Van Houtum en Palm. Ten minste, zo heette het vroeger. Het zou het meest logisch zijn geweest dat we daar zouden zitten, maar dat kan niet. Dat is een streng beveiligde fabriek: ik kom daar ook niet zomaar meer binnen. Bij het bedrijf wordt waardepapier gemaakt. Papier voor bankbiljetten dus.

De eerste papiermaker vestigde zich in 1613 in Ugchelen. Later kwamen er meer papierfabriekjes bij. In de nengentiende eeuw waren er maar liefst elf papierfabriekjes in Ugchelen. Veel van deze ambachtelijke bedrijfjes zijn in de twintigste eeuw overgegaan naar het wasserijbedrijf, zo ook de Hamermolen. Van Houtum en Palm is één van de papierfabrieken die overbleef. Het was een echt familiebedrijf, want er werd volop heen-en-weer getrouwd. Drie broers van Palm trouwden met drie dochters van Van Houtum. Ik was daar hoofd technische dienst. En daar ben ik “besmet” met water. Een papierfabriek heeft op diverse facetten met water te maken. Je hebt natuurlijk water nodig om papier te maken, heel veel water zelfs. Hierachter in het bos liggen de koppelsprengen. En van die kant komt ook de Steenbeek. Dat was de voeding voor de fabriek van Van Houtum. De wasserij maakte gebruik van hetzelfde water.

Bennie Essenstam en Wim Kers bij de Hamermolen

In het proces van papier maken wordt het water vermengd met papiervezels. Een deel daarvan valt door de papierzeven heen. Vroeger ging dat gewoon als afvalwater de sprengenbeek in. Kun je dat voorstellen, dat was dus toen ik daar werkte, toen zaten daar nog allemaal wasserijen achter. Het water werd geloosd op een bezinkingsvijver. Veel zakte wel naar beneden en het relatief schone water – dat schoon dat moet je dan wel breed zien – ging over de drempel en dus zo de beek in. Als we dan eens gekleurd papier hadden, dan stonden die wasserijbazen schuimbekkend aan de poort van: ‘wat maak je me nou’. Dan kon ik dat zaakje opknappen, maar ik kon er dan ook niet veel meer aan veranderen. Zo midden van de jaren ’70 gebruikten ook zij dat water niet meer. Toen zat er eigenlijk geen enkele gebruiker meer op de beek. Nu is dat verder geperfectioneerd. Het reinigen van afvalwater is verregaand doorgevoerd en dat water dat nu in die beek komt, is heel schoon. Ja, ik heb echt die overgang meegemaakt. In het begin stak dat niet zo nauw. Maar in de jaren ’60 begon men al wel een beetje op de zaak te passen. Maar een hoop dingen gingen gewoon bij het vuilnis, dat was heel normaal. Mijn directe baas was directeur Jaap van Houtum. Die was zelf ook een techneut en die moedigde mij wel aan dat ik iets aan het water deed.

De molengang bij de Hamermolen

Wat is papier? Papier is water met vezels erin. Aan het begin van het proces is pakweg 90% water en de rest vezels. Dat water moet er uit. In een papiermachine gaat dat over een zogenaamde rondzeef. Het water valt er zoveel mogelijk door, maar er gaan ook kleine vezeltjes mee in het afvalwater. We hadden toen nog geen moderne zuiveringsinstallatie, maar grote bezinkingsvijvers. De vezels zijn zwaarder, dus dat zakte naar de bodem. In de loop der tijd krijg je dus een heel witte bodem. Maar het reinigingseffect wordt steeds minder. We hadden twee van die vijvers, dus na een maand of zo schakelden we om. Dan lieten we dat water heel langzaam weglopen en dan bleef er een witte mat achter. En dan moest je geluk hebben dat je een aantal dagen mooi weer had, zodat het droogde. Dan lag er als het ware een dikke papierbrei op de bodem. Die konden we kostenvrij kwijt bij fabrieken die minder nauwkeurig papier maken. Bankpapier is een heel kritisch product, dat kun je voorstellen.

Het water dat werd afgevoerd was – laten we zeggen – voor 90% schoon. En ja, dat ging dan die beek in. De directie vond zelf ook wel dat er iets moest veranderen, dat er maatregelen moesten worden genomen. Eerst gebruikten we nog sprengenwater, maar op een gegeven moment gingen we over op bronpompen. In eerste instantie om schoner water te verkrijgen. Later werd het ook belangrijk om minder water te verbruiken. Daar zal Bennie Essenstam nog wel meer over vertellen.

In mijn tijd maakten we vrijwel uitsluitend Nederlands bankpapier. En wat voor Indonesië, soms nog een klein rolletje voor een klein land. Maar met die euro is dat allemaal anders geworden. Gewoon papier wordt van cellulose gemaakt, van hout dus. Bankpapier wordt van lompen gemaakt, ondergoed en hemden en broeken en zo. Er waren twee oude mannetjes die dat sorteerden. Wat heel erg was, was als er elastiek in zat, dat was een rotproduct. Dat moest er allemaal uit. Deden zij dus. Nu worden hiervoor katoenvezels gebruikt, die als afvalproduct vrijkomen in het textielproces.

Ik was dus hoofd technische dienst. Maar ik was meteen de rechter- of de linkerhand van de directeur. Ik moest me ook bemoeien met de koffieautomaat bijvoorbeeld. Primair was mijn taak om te zorgen dat de zaak liep. Als een papiermachine stil staat, is er paniek in de tent. Dat kost een hoop geld. Ik woonde om het hoekje. De directeur wilde mij graag dicht bij de fabriek hebben. Toen ik daar kwam stond daar een dubbel arbeidershuisje, echt een heel oud keetje. Toen hebben ze een dubbel huis gebouwd. Aan de linkerkant woonden mijn vrouw en ik en aan de andere kant de productieleider. Dus ja, we waren altijd snel voorhanden als er wat gebeurde. Er waren drie ploegendiensten. ’s Nachts gebeurde er natuurlijk ook wel eens wat. Dan ging ik kijken wat het was en soms kon ik het zelf met een kleine handeling. Maar vaak ook niet en dan belde ik de monteur op of de elektricien of wat dan ook en die moest dat repareren. Daar ging ik niet zelf aan sleutelen, al had ik soms wel moeite om er af te blijven.

Toen ik weg ging in 1981 draaiden we met een snelheid van zeven of acht meter per minuut. Dat is heel langzaam. Parenco in Renkum bijvoorbeeld, die maakt krantenpapier, die loopt wel duizend meter per minuut. Hier maken we eigenlijk alleen maar papier met een watermerk. Dat is toch een speciaal en heel kritisch product. Maar door automatisering en verbeterde techniek zitten ze nu toch op zo’n 80 tot 100 meter. Dat is dus een hele vooruitgang.”

 

 

 

Kijk ook eens op: