Leven met Water: “Ach kind, ik ga hier niet weg, het is zó’n mooie plek. “

Frans Scholten (Geb. 1946)

Aan de Harderwijkerweg in Laag Soeren wordt ik binnengelaten door Frans Scholten in wat hij de ‘voorkeuken’ noemt. Het huis was vroeger een watermolen waar graan gemalen werd. De voorkeuken werd gebruikt als gelagkamer. Daarom val je zo met de deur in huis. In 1987/1988 is het huis gerestaureerd, maar het molengedeelte is niet meer hersteld, dat werd een té kostbare zaak. Wèl zijn de waterval en de ijzeren klampen waar de goot over gelopen heeft bewaard gebleven. Ook in de ruimte waar vroeger de machines stonden, zijn nog veel zaken te vinden die bij de molen hoorden. In de achterkeuken vertellen Frans en Hermien, elkaar aanvullend de verhalen over de molen en de familie.

Verhaal Margreet Gründemann, beeld Jan van de Lagemaat.

“De Soerense beek is geen natuurlijke beek meer. Oorspronkelijk was er een natuurlijke beek die gevoed werd door een veengebied. Vanuit dat moerassige stuk, liep een kronkelend beekje richting de IJssel. In de loop van de tijd is die beek rechtgetrokken. Rond 1800 kwam de eigenaar van het landgoed Laag Soeren, Van Kesteren, op het idee, om aan die beek watermolens te bouwen. En om een watermolen te laten draaien heb je een waterval nodig waar het water op een waterrad valt. Dat waterrad moet kunnen draaien, er moet een hoogteverschil zijn. Dus die Van Kesteren heeft naast de hoofdloop van de beek, zijtakken gegraven waarin hij verval aanbracht door uitgebreid graafwerk. Op de plaats waar het rad moest komen, is de bedding dieper. Zo is het natuurlijke verval versterkt.
Het water van die aftakking komt op het rad en voegt zich stroomafwaarts weer bij de oude beek.

Waterval van de graanmolen waarbij goed het hoogteverschil te zien is, ontstaan door het uitgraven van de beekbodem.

Maar dat veengebied leverde niet genoeg water om zo’n rad te laten draaien, dus er zijn bronnen bij gegraven, de sprengen. Waar de heuvels van de Veluwe beginnen, is gegraven, om aan het grondwater te komen. Dat gaf nog weer extra watercapaciteit en dan hadden ze hier bij de graanmolen nog meer maatregelen genomen. De ‘stuwdieken’. Ze hadden iets stroomopwaarts allemaal greppels gegraven met dijkjes erlangs, stuwdijken, en het water werd vastgehouden met een stuw, ‘het schut’ bij de molen. Op het moment dat er gemalen moest worden werd die opengezet. Dan kwam er nog weer extra water. Dat is nog te zien; een begroeid gebiedje naast het witte huis aan de overkant.
Het was een heel uitgekiend systeem omdat je ook nog het huis Laag Soeren had, waar de eigenaar Van Kesteren woonde. Daar waren vijvers. Een deel van de beek werd daarheen geleid om die vijvers te voeden. Als hier de molen moest draaien zat er een sluisje, zodat al het water hier langs de molen kon lopen. Van Kesteren was eigenaar van alle vier de molens in Soeren. Men pachtte de molen.
Van Kesteren heeft de molen in 1805 gebouwd en mijn familie is in 1867 op de molen gekomen. De toenmalige eigenaar was Jut van Breukelerwaard die het Badhuis heeft gesticht. Mijn familie kwam uit Angerlo. Het gezin van Harmen Gerbrands had 5 kinderen en die gingen allemaal werken voor Jut. Eén was koetsier en één hulp in de huishouding, één timmerde op het Badhuis en mijn overgrootvader Peter Gerbrands werd molenaar. De reden waarom ze uit Angerlo weggingen is vaag. Daar waren ze koster en schoolmeester geweest van vader op zoon vanaf de zeventiende eeuw. Daar is vast iets gebeurd! We weten niet wat, maar ze zijn naar Soeren gekomen.
Toen mijn overgrootvader op de molen kwam kon men het zout in de pap niet verdienen.
Van Kesteren heeft deze korenmolen gesticht als vrije molen tegen de dwangmolens van de Gelderse Toren en het Hof te Dieren. Hij was een overtuigd patriot en heeft dit uit politieke overtuiging gesticht. Vanaf het begin moet de bedrijfsvoering moeizaam zijn geweest. Het was armoe.

Transportsysteem om het gemalen graan naar de opslag op zolder te brengen.

Een korenmolen is anders dan een papiermolen. Hij stond onder aan de loop van die beken, omdat hij twee stenen om te malen had, daar is veel water voor nodig. Hier onder aan de loop kwam dat water allemaal samen. Er zat een duiker onder de Badhuislaan, zodat de oude loop van de Soerense Beek en het gestuwde water uit de stuwdijken, bij elkaar kon komen. Dan kreeg deze molen al het water. Het rad had schoepen van een meter breed! Daar had je een plons water voor nodig. Als er gemalen werd, hoefde je dat sluisje niet dicht te zetten, zodat de vijvers niet leeg trokken, dat ging vanzelf. Het water liep naar de molen en dat drukte dan de sluisdeurtjes dicht. Dat was heel ingenieus! Als je dan weer stuwde, gingen de deurtjes onder de druk van het water weer open.
Toen Van Kesteren overleed, is het landgoed al snel in andere handen over gegaan. Uiteindelijk is het aangekocht door Jut van Breukelerwaard. Hij wilde er een kuuroord van maken. Jut heeft, toen hij het Badhuis bouwde, Sprengenoord hier tegen de gevel van de molen gezet. Dat was het pension voor de minvermogenden die in het Badhuis kuurden. De molen was nog gewoon in gebruik. Het was een gemengd bedrijf met meerdere bronnen van inkomsten. Niet alleen watermolen, maar ook boerderij en dus pension.
De drie kamers hier aan de voorkant waren voor de directrice en twee verpleegsters van het nieuwe pension. Daardoor ging de huur van molen omlaag. De molenaarsfamilie had dus alleen nog de voorkeuken en de achterkeuken om in te wonen. In de voorkeuken zaten bedsteden voor vier personen. En boven zijn nog kamertjes getimmerd.

De waterval van de graanmolen. In de muur zijn de klampen te zien waarover de waterval vroeger naar het rad geleid werd. Door de vierkante dichtgemetselde gaten linksonder stak de as van het waterrad.

Waterrechten en molenrechten zaten hier natuurlijk van oudsher aan vast. Wanneer het water bovenstrooms gebruikt werd, kwam hier wel eens minder aan, maar omdat alles in het bezit was van één eigenaar werd dat onderling geregeld en stond er niets op papier. Er ontstond pas een probleem toen het landgoed verkaveld werd. Ik weet dat er wel conflicten waren, omdat bovenstrooms water opgehouden werd. Maar het speelde niet vreselijk, Het moet tamelijk harmonieus gegaan zijn.

Problemen over water hebben wij wèl meegemaakt toen wij hier kwamen, in 1986. Mijn oom was de laatste molenaar. Hij is er in 1965 mee op gehouden. Toen wij kwamen was de molen in vervallen staat, hij moest gerestaureerd worden. De gang van het water was ook helemaal versloft. Het was al lange tijd geen watermolen meer en er was dus geen bedrijfsmatig belang, maar wij wilden toch wel graag water hier hebben. Want inmiddels had de overheid hier een riooloverstort gemaakt. Onder de Harderwijkerweg liep een rioolafvoer van het dorp Laag Soeren, richting de IJssel. Maar bij hevige regenval kon het riool het niet allemaal verwerken en daarom was er een zogenaamde riooloverstort gemaakt onder de waterval van deze watermolen, naast ons huis. Hij is hier gemaakt, omdat zij hier verval hadden en het riool was vlak bij, ze hoefden maar een paar meter te graven.

Bij hevige regen als het riool het niet kon verwerken zaten wij dus in de drek en er was niet genoeg water in de beek om het weg te spoelen. Natuurlijk zijn we daarover bezig gegaan. Die overstort was niet zo maar weg, maar we wilden op zijn minst voldoende water, zodat die rommel wegspoelde.

Poelie en as uit de periode dat de molen werd aangedreven door een dieselmotor.

Er kwam slechts een minimale hoeveelheid water. Dat kwam omdat bij het vroegere huis Laag Soeren, het riool gewoon in de vijver loosde. Daar moest dus ook voldoende water zijn om door te spoelen en degene die op dat hotel woonde had de duiker onder de Badhuislaan dichtgestopt, want hij wilde graag veel water hebben. We hebben daar een heel gedoe over gehad.
Aanvankelijk had het Badhuis het beheer over de beken. De gemeente had het overgenomen van het Badhuis en vervolgens ging het naar het waterschap. En dan komt het steeds verder weg te zitten, hè?
Bij de gemeente deed men moeilijk, want de gemeenteambtenaar die in die beken werkte, heulde met de man die de duiker dicht wilde houden. Die man stopte de duiker dicht en dan moesten wij het er weer uit halen en ’s avonds zat het wéér dicht! Nèt een streekroman, zo’n klein oorlogje.
Toen gingen we Godzijdank naar het waterschap. De ambtenaar begreep waarom er niets vast lag, omdat de molen en de vijvers altijd in één hand waren en dat het probleem begonnen was na de verkaveling toen mijn familie overgegaan was op elektromotoren en geen water meer nodig had. Maar voor die overstort hadden wij wel water nodig. Nou, er zou bij de duiker een schot komen dat overliep en wat je kunt verzagen. Ze begonnen een beetje hoog om te kijken of hij zijn vijvers in stand kon houden. Dat was allemaal geregeld en toen vreselijk ongeluk! ging hij in Groningen werken.
Het schot zat er wel, maar op de hoogste stand en daar bleef het, want zijn vervanger kwam kijken en die liet het allemaal zo. Wij waren wat murw en zo heeft nog een paar jaar gezeten. Toen kwam er een heel groot plan en zijn er in het weiland hiertegenover enorme opvangbekkens gemaakt voor het riool. Dus bij hevige regenval kan het water opgevangen worden.

De watermolen heeft nog in de tweede wereldoorlog met het waterrad gedraaid, maar het rad is ná de oorlog niet meer gebruikt. Ze hadden toen elektromotoren. Vóór de oorlog werd er wel met diesel gedraaid, maar krachtstroom kwam pas na de oorlog. Er was een speciaal tarief. Die aanvoer van water moet toch ingewikkeld zijn geweest. Want zunig waren we wèl! Dat ze toch kozen voor elektrische motoren, dat was de zekerheid.
Ik denk ook dat het rad er onderhand slecht aan toe was. Zo’n waterrad vervangen is heel kostbaar.

Zijkant van het molenhuis waar pension Sprengenoord aan vast stond.

In 1936 hebben mijn grootouders de molen gekocht toen het Badhuis werd geliquideerd. Zij hebben het gekocht mét dat pension Sprengenoord. Er was dus ruimte voor alle broers om hier te wonen. De zoon die de boer was op de 10 hectare grond, woonde hier. De oudste zoon die directeur was bij de Raiffeisenbank, woonde in een deel van Sprengenoord en de jongste zoon woonde hier als vrijgezel evenals die ongetrouwde oom. Zo hielden ze het met zijn allen aan het draaien onder leiding van mijn grootmoeder.

Mijn oom is met de molen gestopt in vijfenzestig. Het bedrijf omvatte meer dan alleen een maalderij. Hij deed ook in kunstmest en veekoeken. Het was een soort Boerenbond. Maar de echte Boerenbond zat wat verderop. Dat waren concurrenten. Mijn oom kreeg last van een slechte rug door het sjouwen. De balans was ook niet erg gunstig en hij dacht: ‘Eigenlijk werk ik voor niks’. Toen heeft ie het bedrijf geliquideerd, maar het huis gehouden.
Toen mijn grootmoeder in 68 overleed moest er gedeeld worden. Er is een hoop gedoe geweest over de verdeling en niemand wilde dit huis. Want daar was Sprengenoord tegenaan gebouwd en daar zaten altijd huurders. Maar omdat de molenaar oom daar woonde nam hij dat deel. Toen mijn oom ouder werd, wilde mijn tante liever naar haar ouderlijk huis in Dieren wat comfortabeler was en de molen bleef leeg staan.

Mijn man fietste ooit over de Veluwe en inventariseerde watermolens. Hij kwam ook hier en hij schreef hierover: ‘Er mag wel heel veel aan gebeuren’. Toen was ik niet in zicht hoor! Wij zijn elkaar later tegengekomen. Toen wij trouwden zei Frans: ‘Het is prachtig daar!’ Maar het was oud en vervallen. Toen herinnerde ik dat mijn grootmoeder had gezegd: ‘Ach kind, Ik ga hier niet weg, het is zo’n mooie plek’! Frans zei dat ook, maar ik was beneveld door de sombere sfeer die er hing. Toen bedacht ik: ‘Als we dat Sprengenoord eraf halen, krijgen we de vrijheid terug en blijft er een prachtig huis over!’.
Wij gingen met oom praten en oom glom! Maar het was kostbaar! Nou ja, alles uitgerekend. Als we het huis van mijn ouders zouden verkopen en oom zou ons ter wille zijn en als we subsidies kregen voor de restauratie…. Maar oom vond het zó geweldig dat hij ons zeer heeft geholpen met de berekening. En zo begon de restauratie.”

 

 

Kijk ook eens op: